ECLI:NL:RBDHA:2019:2927
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Polen op grond van Dublinverordening
Verzoekster, een asielzoeker van Tadzjikistaanse nationaliteit, kreeg op 6 februari 2019 een besluit van de staatssecretaris dat haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werd genomen, omdat Polen verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om haar overdracht aan Polen te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat ervan uitgaat dat Polen zijn internationale verplichtingen nakomt, in dit geval ter discussie staat vanwege zorgen over de rechtsstaat in Polen, zoals geuit door de Europese Commissie en bevestigd in jurisprudentie. De voorlopige voorzieningenprocedure is echter niet geschikt om deze complexe rechtsvraag te beantwoorden, die daarom wordt doorverwezen naar een meervoudige kamer.
De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang van verzoekster groot, omdat overdracht aan Polen onomkeerbare gevolgen kan hebben. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom toegewezen, waarmee het bestreden besluit werd geschorst en overdracht aan Polen werd voorkomen totdat op het beroep is beslist.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Polen wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.