Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- Amnesty International Report 2017/18 – The State of the World’s Human Rights (AI‑rapport);
- World Report 2018 – European Union, van Human Rights Watch (HRW-rapport);
- AIDA rapport over Polen van 28 februari 2018 (AIDA rapport 2018);
- Een brief van Human Rights Vision Foundation van 7 november 2018.
De Europese Commissie heeft vervolgens een inbreukprocedure tegen Polen ingeleid. Op 19 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:852) heeft het HvJ-EU Polen in een kort geding dat de Europese Commissie tegen Polen had aangespannen, gelast de toepassing van de wet op te schorten tot aan de uitspraak op de bodemzaak. Advocaat-generaal [naam] is in zijn conclusie van 11 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:325) van mening dat de Poolse wet over de verlaging van de pensioenleeftijd van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie in strijd is met het EU-recht. “De maatregel kan het grondwettelijk hof en zijn rechters blootstellen aan externe tussenkomsten en aan druk van de president van de republiek. Bovendien kan hij de objectieve onafhankelijkheid van het hof ondermijnen”, aldus [naam] .
De uitvoerende rechterlijke autoriteiten moeten op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in de uitvaardigende lidstaat nagaan of er een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat dat verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van bedoelde staat niet onafhankelijk zijn wegens structurele of fundamentele gebreken in die staat. De inlichtingen in een met redenen omkleed voorstel dat de Commissie recent op grond van artikel 7, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) aan de Raad heeft doen toekomen, zijn voor die verificatie bijzonder relevante gegevens.
Daarna moet voor elke verdachte worden nagegaan hoe groot het risico is op een oneerlijk proces: “Indien uit dit onderzoek blijkt dat genoemde gebreken negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit nog te beoordelen of er, in het licht van de specifieke zorgen die de betrokkene tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen.”
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het arrest LM tegen Ierland ook van belang geacht voor asielzaken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282), waarin als volgt is overwogen:
“In het arrest van 25 juli 2018, LM, ECLI:EU:C:2018:586, heeft het Hof van Justitie antwoord gegeven op de prejudiciële vragen van de High Court Ireland. Deze vragen zien op grensoverschrijdende gerechtelijke procedures van overlevering en hebben derhalve een strafrechtelijke achtergrond. Het Hof heeft overwogen dat zolang de Raad nog geen beslissing heeft genomen in een artikel 7-procedure, de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen in uitzonderlijke omstandigheden ervan kan afzien om gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een lidstaat die voorwerp is van een met redenen omkleed voorstel in de zin van artikel 7, eerste lid, van het VEU (punt 73).
onafhankelijkheiden
onpartijdigheidliggen dicht tegen elkaar en worden door het EHRM doorgaans gezamenlijk getoetst (vgl. punt 192 van het arrest van het EHRM in de zaak Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398). Het EHRM (vgl. punt 32 van het arrest van het EHRM in de zaak Langborger tegen Zweden van 22 juni 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0622JUD001117984, en punt 190 van het arrest Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003) toetst de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie onder meer aan:
objectieve partijdigheidkan bijvoorbeeld worden gedacht aan eerdere bemoeienis van de rechter met de zaak, zoals als rechter in een eerdere instantie, of een andere (hiërarchische) band tussen de betrokken rechter en één van de andere actoren in de procedure (vgl. punt 36 van het arrest van het EHRM van 15 juli 2005 in de zaak Meznaric tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2005:0715JUD007161501, en punt 47 van het arrest van het EHRM van 21 december 2000 in de zaak Wettstein tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2000:1221JUD003395896).
subjectief onpartijdigte zijn, tenzij het tegendeel is bewezen (vgl. punt 58 van het arrest van het EHRM van 23 juni 1981 in de zaak Le Compte, Van Leuven and De Meyere tegen België, ECLI:CE:ECHR:1981:0623JUD000687875 en punt 94 van het Micallef-arrest).
Beslissing
mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. Deze uitspraak is geschied op 26 september 2019.