ECLI:NL:RBDHA:2019:3064
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens gebrek aan nieuwe feiten en onvoldoende bewijs deelname vreemdelingenlegioen
Eiser, een Egyptische nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in die door verweerder als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Eerder was zijn eerste asielaanvraag afgewezen vanwege ongeloofwaardige verklaringen. De rechtbank had in een eerdere uitspraak het besluit vernietigd omdat verweerder onvoldoende had getoetst aan de Bahaddar-exceptie, waarbij eiser stelde dat hij mogelijk in het Franse vreemdelingenlegioen had gediend en daardoor risico liep op verlies van zijn nationaliteit en mogelijk de doodstraf bij terugkeer.
In het bestreden besluit van 29 december 2018 handhaafde verweerder de niet-ontvankelijkheid omdat eiser geen nieuwe feiten of documenten had overgelegd en zijn deelname aan het vreemdelingenlegioen niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht het gebrek aan bewijs en ongeloofwaardigheid van de stellingen heeft vastgesteld.
Verder concludeert de rechtbank dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Egypte rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag wegens gebrek aan nieuwe feiten en onvoldoende bewijs voor deelname aan het vreemdelingenlegioen.