ECLI:NL:RBDHA:2019:3099
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen inreisverbod wegens niet-naleving vertrekplicht
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een inreisverbod van twee jaren dat hem is opgelegd omdat hij niet is vertrokken na een terugkeerbesluit. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om tijdens de bezwaarprocedure in Nederland te mogen verblijven en een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro te kunnen indienen.
De voorzieningenrechter overweegt dat het inreisverbod terecht is opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat verzoeker niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van onverwijlde spoed zoals vereist voor een voorlopige voorziening.
Ook de omstandigheden dat verzoeker al jaren in Nederland woont en voornemens is een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro in te dienen, leiden niet tot een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter concludeert dat geen humanitaire of andere omstandigheden aanwezig zijn die het opleggen van het inreisverbod onrechtvaardigen.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het inreisverbod wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.