ECLI:NL:RBDHA:2019:3106
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid wegens prioriteitgenietend aanbod arbeidsmarkt
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende brood- en banketbakker, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om bij een bakkerij te werken. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen op basis van een negatief advies van het UWV, dat stelde dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig was en dat de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen had verricht.
Eiser voerde aan dat de vacature niet adequaat was ingevuld door Nederlandse kandidaten en dat de wervingsinspanningen wel degelijk voldoende waren, onder meer door publicaties in diverse media en een passend salarisaanbod. Tevens stelde hij dat het UWV onterecht het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel terzijde had geschoven en dat er geen belangenafweging was gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat het advies van het UWV als deskundigenadvies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat er geen concrete aanknopingspunten waren om dit in twijfel te trekken. Het UWV had vastgesteld dat er kandidaten met de juiste kwalificaties beschikbaar waren en dat de werkgever niet alle mogelijkheden had benut om de arbeidsplaats met prioriteitgenietend aanbod te vervullen. De stelling van eiser dat het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel onterecht was afgewezen, werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzingsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen terecht waren toegepast en dat het beroep ongegrond was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid wordt ongegrond verklaard.