Carmelcollege organiseerde een Europese aanbestedingsprocedure voor levering en distributie van leermiddelen voor het schooljaar 2019/2020, verdeeld in percelen A en B. VanDijk, distributeur van leermiddelen, diende een inschrijving in die ongeldig werd verklaard omdat zij een opslagpercentage had geoffreerd in plaats van het vereiste kortingspercentage. VanDijk klaagde niet over deze ongeldigverklaring, maar over de inrichting van de aanbestedingsprocedure en de gehanteerde criteria.
VanDijk had de mogelijkheid om voorafgaand aan de inschrijving bezwaren kenbaar te maken en zelfs een kort geding te starten, zoals haar moedermaatschappij The Learning Network (TLN) eerder had gedaan. TLN's vorderingen werden toen afgewezen. VanDijk wachtte echter tot na de gunningsbeslissingen om haar klachten over de procedure te uiten, waardoor zij haar rechten heeft verwerkt volgens het Grossmann-arrest en de eisen van redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank oordeelde dat VanDijk onvoldoende belang heeft bij haar vorderingen, mede omdat haar inschrijving terecht ongeldig werd verklaard. De vorderingen van tussenkomende partijen Malmberg en ThiemeMeulenhoff, die belang hadden bij definitieve gunning, werden eveneens afgewezen. VanDijk werd veroordeeld in de proceskosten van Carmel, Malmberg en ThiemeMeulenhoff. De rechtbank kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de klachten over de aanbestedingsprocedure.