Uitspraak
Beschikking op het op 5 januari 2018 ingekomen verzoekschrift van:
[Y] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Procedure
Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie
Feiten
- Verzoeker, geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] , Iran, is in 1986 met zijn ouders vanuit Iran naar Nederland gekomen.
- Verzoeker heeft op 4 oktober 1994 ingevolge artikel 7 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap 1984 de Nederlandse nationaliteit verkregen.
- Verzoeker is per 26 april 2002 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen en opgenomen in het Register Niet Ingezetenen (RNI), wegens verhuizing naar de Verenigde Staten van Amerika.
- Op 3 maart 2017 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort bij het Nederlands Consulaat-Generaal te [woonplaats]
- Bij besluit van 21 maart 2017 van de Minister van Buitenlandse Zaken is beslist dat deze aanvraag niet in behandeling kon worden genomen op de grond dat verzoeker niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. In het besluit wordt daartoe overwogen dat verzoeker, omdat hij als meerderjarige en in het bezit van zowel de Nederlandse als Iraanse nationaliteit sinds 26 april 2002 zijn hoofdverblijf onafgebroken buiten de Europese Unie heeft gehad, op 26 april 2012 op grond van artikel 15 lid 1 onder Pro c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.
- Bij beschikking van 13 juli 2017 is het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van de paspoortaanvraag vanwege het verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15 lid 1 sub c RWN Pro ongegrond verklaard.
- Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welke procedure nog niet is afgerond.