ECLI:NL:RBDHA:2019:3288

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2019
Publicatiedatum
4 april 2019
Zaaknummer
NL19.4466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens verantwoordelijkheid Italië voor asielaanvraag volgens Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 21 maart 2019, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat Italië verantwoordelijk is omdat eiseres eerder in Italië asiel heeft gevraagd en Italië heeft ingestemd met terugname. Daarnaast is gemotiveerd waarom de gezinsbepalingen van de Dublinverordening niet op eiseres van toepassing zijn.

Verder is beoordeeld dat eiseres niet als kwetsbare asielzoekster kan worden aangemerkt die extra garanties nodig heeft voor opvang in Italië. De situatie van eiseres verschilt van de Tarakhel-zaak en de algemene informatie over mensenhandel en prostitutie vanuit Eritrea naar Italië biedt onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat Italië haar geen adequate bescherming biedt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is op 21 maart 2019 mondeling gedaan en aan partijen toegezonden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.4466
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.4467, plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eiseres en haar gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiseres om internationale bescherming. Eiseres heeft immers eerder in Italië asiel gevraagd en Italië heeft ingestemd met terugname van eiseres op die grond. Verweerder heeft verder gemotiveerd uiteengezet waarom eiseres geen beroep toekomt op de gezinsbepalingen uit de Dublinverordening.
2. Verder heeft verweerder gemotiveerd waarom eiseres niet is te beschouwen als een kwetsbare asielzoekster, ten aanzien van wie extra garanties moeten worden verkregen voor wat betreft de opvang in Italië. Zoals verweerder terecht stelt is de situatie van eiseres niet vergelijkbaar met die van de betrokkenen in de Tarakhel-zaak. De stelling dat zij als alleenstaande vrouw het risico loopt om slachtoffer te worden van mensenhandel of om te worden geprostitueerd is onvoldoende om aan te nemen dat Italië haar geen toereikende opvang of bescherming zal kunnen bieden. De genoemde algemene informatie uit 2015 over mensenhandel en prostitutie vanuit Eritrea naar Italië laat verder onverlet dat niet is gebleken van enige aanwijzing voor persoonlijke vrees van eiseres in dat verband.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 21 maart 2019.
Deze uitspraak is aan partijen toegezonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van toezending van dit proces-verbaal.