ECLI:NL:RBDHA:2019:3414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2019
Publicatiedatum
9 april 2019
Zaaknummer
NL19.5525 en NL19.5527
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 604/2013artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel met Italië

Eisers, van Nigeriaanse nationaliteit, dienden op 9 januari 2019 asielaanvragen in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat zij in december 2017 via Italië de EU-buitengrens illegaal waren binnengekomen en daar in februari 2018 asiel hadden aangevraagd. De Nederlandse staatssecretaris weigerde hun aanvragen in behandeling te nemen en verwees naar Italië als verantwoordelijke lidstaat op grond van de Dublinverordening.

De Italiaanse autoriteiten stemden in met de overname van eisers. De rechtbank toetste of het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat Nederland mag vertrouwen op de opvang en behandeling in Italië, nog steeds van toepassing is. De rechtbank volgde de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die geen aanwijzingen zagen voor een structurele verslechtering van de opvang in Italië.

De rechtbank concludeerde dat eisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij een reëel risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij overplaatsing naar Italië. Ook de door eisers ingebracht rapport van de Danish Refugee Council bood onvoldoende basis voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet meer geldt. Daarnaast was niet gebleken dat de Italiaanse autoriteiten niet in staat zijn eisers te beschermen tegen mensenhandel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.5525 en NL19.5527

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer ]

mede namens haar minderjarige kind,
[A], geboren op [geboortedatum] 2017
en

[B] , eiser, V-nummer [V-nummer ]

hierna tezamen: eisers,
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 maart 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvragen.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019.
Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M.R. Zeevaarder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eisers, die stellen van Nigeriaanse nationaliteit te zijn, hebben op 9 januari 2019 asielaanvragen ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 18 december 2017 op illegale wijze de buitengrens van de lidstaten via Italië hebben overschreden en op 2 februari 2018 in Italië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 24 januari 2019 verzocht om eisers over te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben middels het claimakkoord 7 februari 2019 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.
Onder de werking van de Dublinverordening mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval niet mag. Eisers zijn hierin niet geslaagd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) ten aanzien van het zogenaamde Salvini-decreet dat op 29 november 2018 in werking is getreden overwogen dat dit decreet weliswaar een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft, maar dat niet is gebleken dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. De Afdeling overweegt dan ook dat er geen sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling ook geoordeeld dat, nog afgezien van het voornoemde decreet, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat in het algemeen nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling verwijst daarbij naar de beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juni 2018 (H. tegen Zwitserland). In deze beslissing heeft het Hof overwogen dat de situatie in Italië niet vergeleken kan worden met de situatie in Griekenland ten tijde van het arrest in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in geval van eisers anders dan de Afdeling te oordelen.
Voor zover eisers informatie hebben ingebracht die niet is meegewogen door de Afdeling, zoals het rapport van 12 december 2018 van de Danish Refugee Council, overweegt de rechtbank dat ook hieruit niet blijkt dat er sprake is van dermate aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat verweerder niet meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het rapport, waarin casussen worden beschreven van kwetsbare personen en gezinnen, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen, gezien de beperkte omvang van de onderzochte zaken.
In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat verweerder een schrijven heeft overgelegd van de Italiaanse Dublin Unit waarin wordt bevestigd dat onder de Dublinverordening als gevolg van de sterk gedaalde instroom de opvang centra voldoende capaciteit hebben om aan iedereen opvang te bieden en aldus de rechten van families en minderjarigen te beschermen. De rechtbank acht dit voldoende garanties, ook nu de Italiaanse autoriteiten met de acceptatie van het claimverzoek hebben gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eisers in behandeling te nemen.
Verweerder heeft zich –met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzicht van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eisers aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM.
Voorzover eisers stellen dat zij bedreigd zijn omdat eiseres slachtoffer is van mensenhandel overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat eisers zich dienen te wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht is niet gebleken dat de autoriteiten van Italië eisers niet kunnen of willen helpen. Voorts is de rechtbank niet gebleken van een aangifte in Nederland. Eisers hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt.
De beroepen zijn ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier, op 5 april 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.