ECLI:NL:RBDHA:2019:3700
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kinderrechter bij verlenging ondertoezichtstelling
De zaak betreft een wrakingsverzoek tegen de kinderrechter die betrokken was bij de behandeling van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind. De stiefvader, tevens gemachtigde van de moeder, verzocht om wraking omdat hij meende dat de rechter niet aan waarheidsvinding deed en niet wilde luisteren.
Tijdens de zitting op 5 april 2019 hebben zowel de belanghebbende, de verzoekster en haar gemachtigde meerdere malen het woord gevoerd, wat blijkt uit het proces-verbaal. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de indruk van partijdigheid kunnen wekken. De rechter heeft het wrakingsverzoek niet ingewilligd.
De wrakingskamer concludeert dat er geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bestaat en wijst het wrakingsverzoek af. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.