ECLI:NL:RBDHA:2019:3862
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens overschrijding driemaandentermijn bij gezinshereniging
Eiser, met de Iraanse nationaliteit, heeft via zijn vermeende moeder een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijke driemaandentermijn van drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning was ingediend.
Eiser stelde dat de termijnoverschrijding niet in redelijkheid tegen hem kon worden ingebracht, onder meer vanwege een rapport van de UNHCR dat de specifieke situatie van vluchtelingen onvoldoende in acht neemt. Tevens voerde hij aan dat de overschrijding verschoonbaar was omdat de referent in eerste instantie geen aanvraag wilde indienen en Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) verzuimd zou hebben de termijn te bewaken.
De rechtbank oordeelde dat de driemaandentermijn terecht werd gehandhaafd, mede gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De overschrijding werd niet als verschoonbaar beschouwd, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die de referent verhinderden tijdig een aanvraag in te dienen en omdat de referent bewust had gekozen geen aanvraag te doen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens overschrijding van de driemaandentermijn is ongegrond verklaard.