ECLI:NL:RBDHA:2019:3862

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2019
Publicatiedatum
18 april 2019
Zaaknummer
AWB 19 / 447
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 12 Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens overschrijding driemaandentermijn bij gezinshereniging

Eiser, met de Iraanse nationaliteit, heeft via zijn vermeende moeder een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijke driemaandentermijn van drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning was ingediend.

Eiser stelde dat de termijnoverschrijding niet in redelijkheid tegen hem kon worden ingebracht, onder meer vanwege een rapport van de UNHCR dat de specifieke situatie van vluchtelingen onvoldoende in acht neemt. Tevens voerde hij aan dat de overschrijding verschoonbaar was omdat de referent in eerste instantie geen aanvraag wilde indienen en Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) verzuimd zou hebben de termijn te bewaken.

De rechtbank oordeelde dat de driemaandentermijn terecht werd gehandhaafd, mede gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De overschrijding werd niet als verschoonbaar beschouwd, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die de referent verhinderden tijdig een aanvraag in te dienen en omdat de referent bewust had gekozen geen aanvraag te doen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens overschrijding van de driemaandentermijn is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 19/447
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2019 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 december 2018 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting waren verder aanwezig [naam 2] , referente, en D. Madjlessi, tolk. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Op 17 augustus 2017 heeft referente, de gestelde moeder van eiser, namens hem een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Op 19 december 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden de aanvraag heeft ingediend. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar is.
3. Eiser voert aan dat hij ondanks de termijnoverschrijding wel in aanmerking dient te komen voor een mvv. In zijn eerste beroepsgrond heeft eiser aangevoerd dat de driemaandentermijn niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen. Eiser verwijst daarbij naar een rapport van de UNHCR. In dit rapport staat dat, door de handhaving van de driemaandentermijn, in veel gevallen niet voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke situatie die door de vlucht uit het land van herkomst is ontstaan. [1] Als tweede beroepsgrond stelt eiser dat verweerder de termijnoverschrijding in redelijkheid verschoonbaar heeft moeten achten. Referente heeft naar voren gebracht dat zij in de veronderstelling was dat eiser geen contact meer met haar wilde hebben. Op een later moment heeft eiser alsnog aan referente duidelijk gemaakt dat hij met haar herenigd wenst te worden. Voordat eiser zijn paspoort en de toestemmingsverklaring van zijn vader heeft verkregen, was de driemaandentermijn echter al verstreken. De termijnoverschrijding dient ook verschoonbaar te worden geacht omdat Vluchtelingenwerk (VWN) verzaakt heeft de termijn te sauveren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan het gezinslid van de vreemdeling die in Nederland een asielvergunning heeft gekregen. Het vierde lid van dit artikel biedt dit gezinslid de mogelijkheid om voor dit doel een mvv aan te vragen, indien hij deze aanvraag binnen drie maanden na de verlening van de verblijfsvergunning indient. Een overschrijding van deze termijn is enkel verschoonbaar indien deze redelijkerwijs niet aan het gezinslid en/of de referent is te wijten.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de driemaandentermijn aan eiser tegengeworpen. Dat deze termijn in het algemeen niet onredelijk is blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018 [2] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 december 2018 [3] . Uit deze jurisprudentie volgt ook dat verweerders wijze van handhaven van de driemaandentermijn verenigbaar is met artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn [4] . Het rapport van het UNHCR leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6. De rechtbank is van oordeel dat voorts verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Verweerder heeft terecht in aanmerking genomen dat sprake is van een flinke termijnoverschrijding. De aanvraag is immers bijna een maand na afloop van de termijn ontvangen.
Verweerder heeft daarnaast afdoende gemotiveerd dat geen bijzondere omstandigheden referente ervan hebben weerhouden om op tijd een aanvraag in te dienen. Dat eiser nog documenten moest verzamelen heeft referente er immers niet van hoeven weerhouden om een aanvraagformulier in te dienen. Daar komt bij dat referente zelf heeft verklaard dat zij in eerste instantie er bewust voor heeft gekozen om geen aanvraag in te dienen. Zij was immers in de veronderstelling dat eiser niet met haar wilde herenigen. Nu referente in eerste instantie er bewust voor gekozen heeft om geen aanvraag in te dienen, kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat VWN verzaakt heeft de termijn te sauveren.
7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.UNHCR, The Essential Right to Family Unity of Refugees and Others in Need of International Protection in the Context of Family Reunification, pagina 88, januari 2018
2.Zaak C-380/17 van 7 november 2018
4.Richtlijn 2003/86/EG