ECLI:NL:RBDHA:2019:4277
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen meervoudige kamer rechtbank inzake ouderlijk gezag
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, stellende dat de rechters vooringenomen waren vanwege hun vraagstelling tijdens een zitting over ouderlijk gezag en hoofdverblijfplaats van minderjarige kinderen.
De wrakingskamer oordeelde dat het aan de rechtbank is om de vragen te stellen die zij relevant acht voor de beoordeling van het geschil. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Uit het proces-verbaal bleek dat beide partijen zijn gehoord en verzoeker voldoende gelegenheid had om zijn standpunten naar voren te brengen.
Verzoeker stelde tevens dat de rechtbank geen toezegging deed over nader feitenonderzoek, maar de kamer overwoog dat het uitstel van een toezegging geen indicatie van vooringenomenheid is. De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de meervoudige kamer is afgewezen wegens ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.