ECLI:NL:RBDHA:2019:4278
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter na afwijzing verzoek tot aanhouding
In deze zaak heeft de verdachte via zijn raadsman een wrakingsverzoek ingediend tegen de politierechter die het verzoek tot aanhouding had afgewezen. De raadsman stelde dat de rechter de belangen van zijn cliënt had miskend en dat zijn cliënt niet in de gelegenheid was gesteld het verzoek toe te lichten.
De wrakingskamer heeft onderzocht of er sprake was van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Daarbij werd benadrukt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke beslissing op zichzelf geen grond kan zijn voor wraking, tenzij bijzondere omstandigheden aantonen dat de rechter onpartijdigheid schendt.
De kamer concludeerde dat geen uitzonderingssituatie zoals door de Hoge Raad is omschreven aanwezig was. Ook is vastgesteld dat de wet geen verplichting kent om een verdachte het woord te geven over een verzoek tot aanhouding, en dat de verdachte feitelijk wel het woord heeft gevoerd, zij het ongevraagd.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt de strafzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is afgewezen en de strafprocedure wordt voortgezet.