Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:4278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2019
Publicatiedatum
1 mei 2019
Zaaknummer
C/09/571640 / KG RK 19-576
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter na afwijzing verzoek tot aanhouding

In deze zaak heeft de verdachte via zijn raadsman een wrakingsverzoek ingediend tegen de politierechter die het verzoek tot aanhouding had afgewezen. De raadsman stelde dat de rechter de belangen van zijn cliënt had miskend en dat zijn cliënt niet in de gelegenheid was gesteld het verzoek toe te lichten.

De wrakingskamer heeft onderzocht of er sprake was van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Daarbij werd benadrukt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke beslissing op zichzelf geen grond kan zijn voor wraking, tenzij bijzondere omstandigheden aantonen dat de rechter onpartijdigheid schendt.

De kamer concludeerde dat geen uitzonderingssituatie zoals door de Hoge Raad is omschreven aanwezig was. Ook is vastgesteld dat de wet geen verplichting kent om een verdachte het woord te geven over een verzoek tot aanhouding, en dat de verdachte feitelijk wel het woord heeft gevoerd, zij het ongevraagd.

Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt de strafzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is afgewezen en de strafprocedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2019/24
zaak- /rekestnummer: C/09/571640 / KG RK 19-576
Beslissing van 29 april 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. E.R. Schenkhuizen te Den Haag,
strekkende tot de wraking van
mr. M.M.F. Holtrop
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:
mr. N. Aandewiel, officier van justitie.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 29 maart 2019, waaraan de pleitnotitie van mr. Schenkhuizen is gehecht en waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 12 april 2019;
- de schriftelijke reactie van mr. Schenkhuizen van 12 april 2019.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling op 15 april 2019 zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. Schenkhuizen;
- de officier van justitie mr. N. Aandewiel.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met parketnummer 09/131257-18 en 09/074993-17 (tul) tegen verzoeker als verdachte.
Voorafgaand aan de terechtzitting in bovengenoemde strafzaak heeft de raadsman van de verzoeker schriftelijk om aanhouding verzocht. Ter terechtzitting van 29 maart 2019 is dit verzoek, na het voordragen van de zaak door de officier van justitie en de vordering tot wijziging van de tenlastelegging, besproken. De officier van justitie en de raadsman van de verdachte hebben hun standpunt toegelicht. Vervolgens heeft de politierechter het onderzoek ter terechtzitting onderbroken voor beraad in raadkamer. Na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de politierechter gemotiveerd medegedeeld dat het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Hierop heeft de raadsman verzocht om wraking van de politierechter.
2.2.
De raadsman van verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2019, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de politierechter met de afwijzing van het verzoek tot aanhouding de belangen van zijn cliënt heeft miskend en dat de beslissing op onjuiste gronden is genomen. In de schriftelijke reactie d.d. 12 april 2019 voegt de raadsman daar nog aan toe dat zijn cliënt niet in de gelegenheid is gesteld om een toelichting op het verzoek tot aanhouding te geven.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. De reactie van de rechter wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Verder geldt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten -bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen- niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.3.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is er geen sprake van deze door de Hoge Raad geformuleerde uitzonderingssituatie. Gelet daarop kan hetgeen inhoudelijk aan het verzoek tot wraking ten grondslag is gelegd geen grond voor wraking vormen.
3.4.
Voor zover de raadsman van verzoeker heeft aangevoerd dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld om het verzoek tot aanhouding toe te lichten, stelt de wrakingskamer vast dat de wet niet voorziet in een verplichting om een verdachte het woord te geven over een verzoek tot aanhouding. Het enkele feit dat verzoeker in deze fase van het onderzoek in het kader van een door zijn raadsman geformuleerde verzoek ter terechtzitting niet het woord heeft gehad is onvoldoende voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid jegens verzoeker. Overigens blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2019 dat de verzoeker wel het woord over de verzochte aanhouding heeft gevoerd, zij het ongevraagd.
Gelet op voorgaande wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de onder 1 vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. E.R. Schenkhuizen;
• de officier van justitie mr. N. Aandewiel;
• de rechter;
Deze beslissing is gegeven door de mrs. O. van der Burg, P.M.E. Bernini en S.M. Krans in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Beeck en in openbaar uitgesproken op 29 april 2019.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.