ECLI:NL:RBDHA:2019:4355

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2019
Publicatiedatum
2 mei 2019
Zaaknummer
AWB 18/9019
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 78 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing

Verzoeker, een Turkse nationaliteit dragende zelfstandige, heeft op 1 oktober 2018 een verblijfsvergunning aangevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd op 26 oktober 2018 afgewezen omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang dienen, mede door het ontbreken van onderliggende documenten zoals een ondernemingsplan of financiële prognoses.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar zou zijn beslist. De voorzieningenrechter besloot op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tevens over het bezwaar, zonder zitting.

De rechter constateerde dat verzoeker geen enkele onderbouwing had geleverd voor zijn bedrijfsactiviteiten en dat de aangekondigde aanvullende stukken niet waren overgelegd. Hierdoor was het voor verweerder onmogelijk om te beoordelen of aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning was voldaan. De afwijzing was daarom terecht.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/9019
[persoonsnummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2019 in de zaak tussen

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1994, van Turkse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. A. Kotan)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij [bedrijf] afgewezen. Op 14 november 2018 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij brief van 26 november 2018 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
2. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, beslist de voorzieningenrechter van de rechtbank op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar.
3. Verzoeker is van Turkse nationaliteit. Hij heeft op 1 oktober 2018 een verblijfsvergunning voor het verrichten arbeid als zelfstandige bij [bedrijf] aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft hij een kopie van zijn paspoort gevoegd en een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] .
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat met zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Hij heeft namelijk geen stukken overgelegd om dat te onderbouwen.
5. Ter onderbouwing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder de afgelopen jaren op meerdere punten beperkingen heeft opgeworpen die in strijd zijn met de standstill-bepaling. Ook hij heeft aangekondigd enkele facturen en een prognose van zijn omzet na te zullen zenden ter onderbouwing van zijn wezenlijke bijdrage.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker bij zijn aanvraag geen enkel document heeft overgelegd ter onderbouwing van de bedrijfsactiviteiten en levensvatbaarheid van de onderneming [bedrijf] , zelfs geen ondernemingsplan. Ook de in het verzoek om voorlopige voorziening aangekondigde facturen en prognose zijn niet overgelegd. Aldus is het voor verweerder onmogelijk om vast te stellen of eiser voldoet aan de voorwaarden voor de door hem aangevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.
7. Zolang verzoeker zijn aanvraag niet op enige wijze inhoudelijk heeft onderbouwd, komt de voorzieningenrechter niet toe aan zijn stellingen dat sprake is van beperkingen die in strijd zijn met de standstill-bepaling.
8. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het bezwaar kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet bij deze stand van zaken dan ook aanleiding om toepassing te geven aan artikel 78 van Pro de Vw 2000. De voorzieningenrechter verklaart het bezwaar ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat al op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. Y.A.P. Huijbregts-Kegels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2019.
griffier,
voorzieningenrechter,
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.