ECLI:NL:RBDHA:2019:4355
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing
Verzoeker, een Turkse nationaliteit dragende zelfstandige, heeft op 1 oktober 2018 een verblijfsvergunning aangevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd op 26 oktober 2018 afgewezen omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang dienen, mede door het ontbreken van onderliggende documenten zoals een ondernemingsplan of financiële prognoses.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar zou zijn beslist. De voorzieningenrechter besloot op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tevens over het bezwaar, zonder zitting.
De rechter constateerde dat verzoeker geen enkele onderbouwing had geleverd voor zijn bedrijfsactiviteiten en dat de aangekondigde aanvullende stukken niet waren overgelegd. Hierdoor was het voor verweerder onmogelijk om te beoordelen of aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning was voldaan. De afwijzing was daarom terecht.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.