Verzoekster, woonachtig in het arrondissement Den Haag en onder beschermingsbewind sinds 30 juni 2017, verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet om ontruiming van haar woning door Stichting Woonbron te voorkomen. De ontruiming was gepland op 9 mei 2019 na een vonnis van 18 april 2019.
De rechtbank constateerde dat de bewindvoerder niet was betrokken bij de betekening van de ontruimingsvonnis, hetgeen zwaar woog in het nadeel van verweerster. Hoewel het minnelijk schuldsaneringstraject nog niet was gestart, lag dit wel voor aanvang gereed omdat verzoekster inmiddels een jaar abstinent is van alcohol en haar financiële situatie stabiel is. De betaling van de lopende huurtermijnen is gewaarborgd.
De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoekster om in haar woning te blijven zwaarder weegt dan het belang van Woonbron bij ontruiming. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen voor een termijn van zes maanden, met als voorwaarde dat de lopende huur wordt voldaan. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan nog niet worden afgedaan zolang het minnelijk traject niet is afgerond.