Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;
b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.
“90 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat:
– artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de procedure ter bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, de lidstaat waarbij krachtens artikel 21 of Pro artikel 23 van Pro de Dublin III-verordening een verzoek tot over‑ of terugname is ingediend en die na de nodige verificaties daarop een negatief antwoord heeft gegeven binnen de termijnen van artikel 22 of Pro van artikel 25 van Pro laatstgenoemde verordening en die nadien wordt gevraagd om heroverweging krachtens genoemd artikel 5, lid 2, zich in een geest van loyale samenwerking moet beijveren om daarop binnen de termijn van twee weken te antwoorden, en
– wanneer de aangezochte lidstaat niet binnen deze termijn van twee weken antwoordt, de aanvullende procedure voor heroverweging definitief is beëindigd
,zodat de verzoekende lidstaat vanaf het verstrijken van die termijn moet worden aangemerkt als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, tenzij hij nog over de nodige tijd beschikt om binnen de daartoe in artikel 21, lid 1, en in artikel 23, lid 2, van de Dublin III-verordening gestelde dwingende termijnen een nieuw verzoek tot over‑ of terugname in te dienen.
12. Verweerder heeft in zijn reactie van 12 april 2019 het volgende standpunt ingenomen. Ten aanzien van de startdatum van de beslistermijn merkt verweerder op dat de Afdeling bij uitspraak van 19 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:838) heeft bevestigd dat de beslistermijn is aangevangen op het moment dat de aangezochte lidstaat niet binnen de termijn van twee weken, genoemd in artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening antwoordt. Dat betekent, volgens verweerder, dat in lijn met het meer subsidiaire standpunt Nederland na 28 april 2016 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser.
Voor zover eiser stelt dat in zijn zaak een beslistermijn van zes maanden geldt, verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( de Afdeling) van 8 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3232) waaruit blijkt dat een individuele kennisgeving geen vereiste is om de beslistermijn te kunnen verlengen met negen maanden. Dat op 14 december 2016 een (administratieve) brief is gestuurd waarin een beslistermijn van zes maanden wordt genoemd, leidt niet tot een ander standpunt. Voorts is het gebruikelijk dat aan het begin van een verblijfsrechtelijke procedure een eerste beslistermijn van zes maanden wordt genoemd, voordat deze wordt verlengd. Daarbij komt dat de WBV geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vóór en na 11 februari 2016. Aangezien verweerder op 26 januari 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser is dus binnen een termijn van vijftien maanden na 28 april 2016 beslist.
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 3.584,- te betalen.