ECLI:NL:RBDHA:2019:5238
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende terugkeergarantie en onvoldoende middelen
Eiser, burger van de Dominicaanse Republiek, verzocht om een visum voor kort verblijf om vakantie te vieren bij zijn partner en hun twee kinderen in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees het visum af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig zou terugkeren naar zijn land van herkomst en niet beschikte over voldoende middelen om het verblijf en de terugreis te bekostigen. Ook waren de garantstellers niet solvabel.
Eiser betoogde dat hij het doel en de omstandigheden van het verblijf duidelijk had gemaakt en dat hij zich aan de regels wilde houden. Hij verwees naar zijn inkomen en vermogen en de garantstelling door zijn partner en haar ex-echtgenoot. De minister handhaafde het besluit en wees op de ruime beoordelingsmarge en de toepasselijke normen uit de Vreemdelingencirculaire.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met zijn land van herkomst had aangetoond en dat het voornemen om een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen twijfel opriep over tijdige terugkeer. Ook was het inkomen van eiser en de garantstellers onvoldoende volgens de norm van €34 per dag. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.