Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
hierna gezamenlijk: eisers
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat de lange duur van het claimverzoek en de daadwerkelijke overdracht van referent hem niet reeds in een ‘Catch-22’ situatie bracht. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:6066). Verweerder heeft de stelling, dat het peilmoment moet zijn gelegen bij de asielaanvraag in Nederland en niet in lidstaat Griekenland, niet gemotiveerd. Verweerder heeft het geheel niet terzijde mogen schuiven en doet hiermee afbreuk aan de nuttige werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Eisers wijzen in dit verband op het arrest A. en S. (hierna: het arrest) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 12 april 2018 (C-550/16, ECLI:EU:C:2018:248). Referent verbleef wettig op het grondgebied van Griekenland en met hem was reeds gesproken over de mogelijkheden van gezinshereniging met zijn ouders, waaraan referent te rechtvaardigen verwachtingen mocht ontlenen.
Ten aanzien van de Catch-22 situatie waarnaar eisers verwijzen, betoogt verweerder dat het feit dat de behandeling van het claimverzoek en de daadwerkelijke overdracht van referent lang duurde, het voorgaande niet anders maakt. Het peilmoment voor de beoordeling of referent als minderjarige kan worden aangemerkt, is het moment van indiening van het asielverzoek in Nederland, op welk moment referent inmiddels meerderjarig was. Verweerder stelt verder dat gesteld noch gebleken is dat Nederland niet voortvarend heeft gehandeld in de Dublinprocedure. Hoewel gezinshereniging buiten de schuld van referent en eisers niet tijdig tot stand is gekomen, liggen de gevolgen daarvan wel in hun risicosfeer. Niet gebleken is dat Nederland met het bestreden besluit afbreuk doet aan het nuttige effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eisers neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,–.