ECLI:NL:RBDHA:2019:6244
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en afwijzing voorlopige voorziening
Eiser, een Iraanse nationaliteit, diende op 15 februari 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot overname aan Italië gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ernstige tekortkomingen in de opvang en asielprocedure in Italië, mede door een wetsdecreet van 24 september 2018 dat de beschermingsstandaard verlaagde. Hij stelde dat hij bij overdracht aan Italië een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank overwoog dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder had geoordeeld dat het decreet niet leidt tot structurele tekortkomingen die een schending van artikel 3 EVRM Pro veroorzaken. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de situatie sinds die uitspraak wezenlijk was verslechterd. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen opvang zal krijgen in Italië en dat eventuele klachten over de naleving van Richtlijn 2013/33/EU bij de Italiaanse autoriteiten moeten worden ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.