ECLI:NL:RBDHA:2019:6373
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verdachte niet-ontvankelijk in bezwaar tegen afwijzing verzoek tot horen getuige door rechter-commissaris
De verdediging had op 26 april 2019 een verzoek ingediend bij de rechter-commissaris om een TCI-informant als getuige te horen. De rechter-commissaris wees dit verzoek op 23 mei 2019 af. Tegen deze afwijzing diende verdachte op 6 juni 2019 een bezwaarschrift in.
De rechtbank oordeelt dat de rechter-commissaris bevoegd was tot het nemen van de beschikking op 23 mei 2019, omdat toen het onderzoek ter terechtzitting nog niet was aangevangen. Echter, vanaf de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 4 juni 2019 is de zittingsrechter de enige instantie die inhoudelijk kan beslissen over onderzoekswensen.
Omdat het bezwaarschrift op 6 juni 2019 werd ingediend nadat het onderzoek ter terechtzitting was begonnen, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Verdachte wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De rechtbank benadrukt dat het aan de raadsman is om het verzoek tot het horen van de TCI-informant opnieuw bij de zittingsrechter in te dienen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van een TCI-informant.