Uitspraak
1.De bestreden beschikking
2.Het cassatieberoep
3.Inhoud van de bestreden beschikking, vraagstelling en wettelijk kader
4.Beantwoording van de opgeworpen vragen
5.Beoordeling van het middel
6.Slotsom
7.Beslissing
3 maart 2015.
Hoge Raad
In deze cassatie in het belang der wet heeft de Hoge Raad de verhouding tussen de zittingsrechter en de rechter-commissaris (RC) nader uitgewerkt. De zaak betreft de bevoegdheid van de RC om onderzoekshandelingen te verrichten na kennisgeving van dagvaarding en na verwijzing door de zittingsrechter, en de mogelijkheid van rechtsmiddelen tegen beslissingen van de RC in die context.
De Hoge Raad stelt dat na kennisgeving van dagvaarding de RC bevoegd blijft lopende onderzoeken voort te zetten zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen, maar dat verzoeken om onderzoekshandelingen op grond van art. 181 en Pro 183 Sv na die kennisgeving niet meer aan de orde zijn. Evenmin staan tegen afwijzing van dergelijke verzoeken door de RC rechtsmiddelen open voor verdachte of officier van justitie. Na verwijzing op grond van art. 316 Sv Pro zijn art. 181 en Pro 183 Sv niet van toepassing op het onderzoek door de RC, zodat ook dan geen plaats is voor verzoeken of vorderingen tot onderzoekshandelingen.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank die de verdachte ontvankelijk had verklaard in zijn bezwaarschrift tegen een afwijzende beschikking van de RC. De uitspraak benadrukt de sturende rol van de zittingsrechter in het strafproces en voorkomt onnodige complicaties en vertragingen door het uitsluiten van rechtsmiddelen tegen beslissingen van de RC in de genoemde fasen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking die de verdachte ontvankelijk verklaarde in zijn bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris.