ECLI:NL:RBDHA:2019:6450

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2019
Publicatiedatum
28 juni 2019
Zaaknummer
awb 19/1310
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Vreemdelingenwet 2000artikel 8 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende duurzame middelen partner

Eiser, een Kosovaarse staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als gezinslid van zijn Nederlandse partner, die een Wajong-uitkering ontvangt en daarnaast inkomsten uit werk heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat de partner niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt en eiser een gevaar voor de openbare orde zou vormen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder een gemotiveerde en individuele beoordeling van de financiële situatie van de partner heeft gemaakt, waarbij is vastgesteld dat de inkomsten niet duurzaam zijn. De rechtbank gaat niet in op het argument over het gevaar voor de openbare orde, omdat de afwijzing op de financiële grondslag zelfstandig kan worden gedragen.

Verder stelt de rechtbank dat de weigering geen schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt, omdat het algemeen economisch belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser en zijn partner, mede omdat het om een eerste toelating gaat.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 19/1310

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2019 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, thans de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 januari 2019 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2019. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Tevens was eisers Nederlandse partner [naam 2] (hierna: referente) ter zitting aanwezig. Verweerder heeft schriftelijk meegedeeld niet te zullen verschijnen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Kosovaarse nationaliteit. Hij wenst verblijf in Nederland met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2]’.
2. Bij besluit van 5 november 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen, omdat referente niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Referente ontvangt een uitkering op grond van de Wet Wajong en zij heeft daarnaast inkomsten uit werk.
De aanvraag is tevens afgewezen omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser heeft op 26 juli 2015 een strafbaar feit gepleegd. De weigering om aan eiser een mvv te verlenen leidt volgens verweerder niet tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM [1] .
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd en het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.
4. Eiser voert in beroep aan dat referente heeft bewezen dat zij er alles aan heeft gedaan om geen beroep te hoeven doen op de bijstand. Hij verwijst naar de arbeidscontracten die in bezwaar zijn overgelegd. Volgens eiser moet verweerder een concretere beoordeling van de individuele financiële situatie maken. Eiser wijst daarbij op twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Chakroun en Khachab [2] . Verder handhaaft eiser zijn standpunt dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft ten onrechte niet het Unierechtelijke openbare-ordebegrip toegepast; sprake moet zijn van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser wijst op de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2018 [3] .
Middelenvereiste.
5. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 worden afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift, op basis van de overgelegde stukken, die als beginpunt het jaar 2018 vermelden, een gemotiveerde individuele beoordeling gemaakt van de inkomsten van referente. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat niet is aangetoond dat deze duurzaam zijn. Van belang hierbij is ook dat referente ter zitting heeft verklaard dat zij tussen 2012 en 2015 niet heeft gewerkt vanwege psychische problemen. In 2015 is het volgens haar verklaring beter met haar gegaan. Zij heeft gesteld dat zij daarna heeft gewerkt, maar niet is aangetoond dat zij vanaf 2015 heeft gewerkt. De stukken die zij in bezwaar heeft overgelegd komen meer overeen met haar andere verklaring ter zitting, namelijk dat zij sinds februari of maart 2018 aan het werk is.
Openbare orde.
7. Omdat de voorgaande afwijzingsgrond het bestreden besluit zelfstandig kan dragen, zal de rechtbank niet meer ingaan op wat tegen de andere afwijzingsgrond, dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt, is aangevoerd.
Schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
8. De rechtbank volgt niet de stelling van verweerder in het verweerschrift dat er geen sprake is van een duurzame relatie tussen eiser en referente.
Verweerder heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de weigering om aan eiser een mvv te verlenen geen schending oplevert van artikel 8 van Pro het EVRM. Bij de belangenafweging die is gemaakt, heeft verweerder het algemeen economisch belang in dit geval zwaarder kunnen laten wegen dan het persoonlijk belang van eiser en referente, nu het een eerste toelating van eiser betreft.
Slotsom.
9. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2019 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.van respectievelijk 4 maart 2010, C-578/08, ECLI: EU:C:2010:117 en 21 april 2016, C-558/14, ECLI:EU:C:2016:285