ECLI:NL:RVS:2018:1739
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over motiveringseisen bij afwijzing gezinsherenigingsverzoeken om openbare orde
De vreemdeling, van Armeense nationaliteit, diende een verzoek in om een machtiging tot voorlopig verblijf met het oog op gezinshereniging, welke door de staatssecretaris werd afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde op grond van eerdere veroordelingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2003/86/EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn). De kernvraag is of voor de afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid om redenen van openbare orde vereist is dat wordt gemotiveerd dat de persoonlijke gedragingen van het gezinslid een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving.
De Afdeling analyseerde jurisprudentie van het Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij zij concludeerde dat de staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het niet vereist is om die mate van bedreiging te motiveren bij afwijzing van een eerste verzoek om toegang en verblijf. Tegelijkertijd erkent de Afdeling dat het begrip 'openbare orde' strikt moet worden uitgelegd en dat de motiveringseisen mogelijk strenger zijn, zoals blijkt uit andere arresten. Daarom wordt het Hof gevraagd hierover prejudiciële uitspraken te doen.
De behandeling van het hoger beroep is geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. De Afdeling benadrukt het belang van een uniforme uitleg van de richtlijn, mede vanwege de directe en onvoorwaardelijke toepassing ervan in het Nederlandse recht op gezinsleden van Nederlandse staatsburgers.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst en prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 6, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.