Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:6451

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
28 juni 2019
Zaaknummer
NL19.10535
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 23 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 9 Verordening EU 603/2013 (Eurodacverordening)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, met de Iraakse nationaliteit, heeft in meerdere landen asiel aangevraagd, waaronder Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Nederland. Verweerder heeft op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk gesteld voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, mede op basis van Eurodac-gegevens die bevestigen dat eiser in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Eiser betwist dat hij in Italië asiel heeft aangevraagd en stelt dat hij daar gedwongen is vingerafdrukken af te geven. Tevens voert hij aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet kan worden aangenomen en dat terugkeer naar Italië in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat de registratie in het Eurodac-systeem betrouwbaar is en dat de enkele stelling van eiser onvoldoende is om hieraan te twijfelen. Ook wordt het beroep op het niet kunnen vertrouwen op Italië verworpen, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.10535

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, waaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.10536, plaatsgevonden op 27 mei 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Iraakse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 juni 2015 in Oostenrijk, op 6 september 2016 in Italië, op 9 maart 2018 in Frankrijk en op 23 januari 2019 in Nederland gevraagd om internationale bescherming.
2. Verweerder heeft Oostenrijk op 7 februari 2019 gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Oostenrijk heeft daarop aan verweerder meegedeeld dat de eerste asielaanvraag van eiser op 13 juni 2015 is afgewezen en dat eiser de uitspraak over de tweede asielaanvraag niet heeft afgewacht maar asiel in Italië heeft gevraagd op 6 september 2016. Omdat Italië Oostenrijk niet heeft gevraagd eiser terug te nemen is Italië volgens Oostenrijk verantwoordelijk voor behandeling van de aanvraag op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening.
3. Verweerder heeft Italië vervolgens op 17 februari 2019 gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Daarop heeft Italië niet (tijdig) gereageerd, zodat per 14 maart 2019 een fictief claimakkoord tot stand is gekomen.
4. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor behandeling daarvan.
5. Eiser heeft aangevoerd dat niet Italië maar Oostenrijk verantwoordelijk is voor behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser heeft in Italië geen asiel willen vragen maar is daar gedwongen vingerafdrukken te geven.
Eiser stelt daarnaast dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Terugkeer naar Italië is daarom in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [1]
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er van moet worden uitgegaan dat eiser een asielaanvraag in Italië heeft ingediend, gezien de uniciteit van de controle en registratie in Eurodac. Deze registratie vindt plaats op grond van artikel 9 van Pro de Verordening EU 603/2013 (Eurodacverordening). Uit vorengenoemde registratie is onomstotelijk vast komen te staan dat betrokkene in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De rechtbank acht dat standpunt juist. De enkele stelling van eiser dat hij in Italië nooit asiel heeft aangevraagd is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de informatie in het Eurodac-systeem te twijfelen. Gelet op het fictief claimakkoord is Italië dan ook verantwoordelijk voor behandeling van eisers asielaanvraag.
7. De enkele stelling dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, kan eiser niet baten. De rechtbank verwijst daartoe naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1526).
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten voor de mens en de fundamentele vrijheden