Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:6453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
28 juni 2019
Zaaknummer
NL19.9638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 3.106a VbArt. 29 VwArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Griekenland

Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft op 14 februari 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 19 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Griekenland.

De Griekse autoriteiten bevestigden dat eiser een vluchtelingenstatus heeft en een geldig verblijfsdocument bezit. De rechtbank overweegt dat dit voldoende is om aan te nemen dat eiser een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is van hem te verwachten dat hij naar dat land terugkeert. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste rechtspraak en relevante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Eiser voerde aan dat de situatie in Griekenland slecht is en dat het onduidelijk is of hij daar rechtmatig verblijft, maar de rechtbank oordeelt dat de situatie voor statushouders in Griekenland niet zodanig slecht is dat sprake is van extreme armoede of rechteloosheid. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer in strijd met artikel 3 EVRM Pro zal worden behandeld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wegens internationale bescherming in Griekenland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.9638

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, waaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Berben).

ProcesverloopBij besluit van 19 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.9639, plaatsgevonden op 27 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Bandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 14 februari 2019 heeft eiser gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Naar aanleiding van een verzoek van verweerder om informatie hebben de Griekse autoriteiten bij schrijven van 20 maart 2019 onder meer het volgende gemeld: “
The person concerned was granted refugee status on 18/09/2017 and he received the relevant residence permit valid from 11/10/2017 until 10/10/2020. He received TDV travel document with number AA6209251 valid from 25/9/2018 until 24/9/2023.”
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser gelet op de onder 2 bedoelde informatie van de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming geniet in Griekenland en dat van hem kan worden verwacht om naar dat land terug te keren.
4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Daarvoor is vereist dat een vreemdeling in die lidstaat, overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), zal worden behandeld. Een van deze beginselen is, zo staat in voormeld artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, dat geen risico bestaat op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dit artikellid komt, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis ervan (Kamerstukken II 2006/07, 30 925, nr. 3, p. 4 en 5), overeen met onder meer artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Deze bepaling beoogt in situaties waarbij een risico bestaat op ernstige schade dezelfde bescherming te bieden als artikel 3 van Pro het EVRM.
6. Eiser heeft als eerste grond aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten alle relevante feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb te betrekken bij de beoordeling van de vraag of het redelijk is naar Griekenland toe te gaan.
Volgens eiser blijkt uit de brief van 20 maart 2019 niet dat eiser nog altijd internationale bescherming in Griekenland geniet.
7. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de brief van 20 maart 2019 blijkt dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft en dat dit op grond van vaste rechtspraak voldoende is om aan te nemen dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. Dit betekent dat wordt aangenomen dat eiser een zodanige band heeft met Griekenland dat het vooraf hem redelijk is om naar dat land te gaan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795.
8. Eiser heeft daarnaast een beroep gedaan op de uitspraak van zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:406. Eiser stelt dat in zijn geval ook sprake is van de situatie waarin niet duidelijk is of hij in Griekenland rechtmatig verblijf heeft. De verwijzing naar die uitspraak kan eiser naar het oordeel van de rechtbank niet baten, nu eiser, anders dan de vreemdeling in die zaak, in het bezit is gesteld van een geldig verblijfsdocument. Bescherming in een andere EU-lidstaat kan onder meer daaruit blijken, volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarom is er ook geen aanleiding om de zaak - conform het verzoek van eiser ter zitting - aan te houden tot de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het door verweerder tegen de uitspraak van zittingsplaats Groningen ingestelde hoger beroep.
9. Voor wat betreft de verwijzing van eiser naar de slechte situatie in Griekenland, heeft verweerder zich - onder verwijzing naar de onder 7 genoemde uitspraak van de Afdeling - terecht op het standpunt gesteld dat de situatie in Griekenland voor statushouders niet zo slecht is dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Het persoonlijk relaas van eiser biedt in dit geval ook geen aanleiding om aan te nemen dat de Griekse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Van eiser mag worden verwacht dat hij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status effectueert. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM terecht zal komen. Niet aannemelijk is geworden dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan. Het vragen van aanvullende garanties aan de Griekse autoriteiten is dan ook niet aan de orde.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.