ECLI:NL:RBDHA:2019:6600
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken bewijs gezinsband en toestemmingsverklaring
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis af te wijzen. De aanvraag was gebaseerd op gezinshereniging met zijn biologische vader die in Eritrea achterbleef.
De staatssecretaris oordeelde dat eiser niet de identiteit van de achterblijvende biologische vader had aangetoond en bovendien geen geldige toestemmingsverklaring had overgelegd, omdat een geldig identiteitsbewijs met handtekening ontbrak. Eiser stelde dat dna-onderzoek niet mogelijk was vanwege de militaire dienst van zijn vader en verwees naar documenten en verklaringen die een gezinsband zouden onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde doopakte en identiteitsdocumenten zonder handtekening onvoldoende bewijs vormden en dat de staatssecretaris terecht een dna-onderzoek had aangeboden. Het alternatief van een identificerend gehoor via internet werd onvoldoende geacht om de biologische en juridische band vast te stellen. Ook werd geoordeeld dat het belang van het kind niet concreet was onderbouwd en dat het recht op gezinsleven niet werd geschonden zonder vaststelling van de gezinsband.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar ongegrond was en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. Het beroep werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.