ECLI:NL:RBDHA:2019:6640

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2019
Publicatiedatum
3 juli 2019
Zaaknummer
NL19.13213 & NL19.13214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Gambiaanse asielzoeker, diende op 5 februari 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Italië gedaan, dat werd aanvaard.

Eiser betoogde dat zijn veiligheid in Italië niet gewaarborgd is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt, mede vanwege het Salvini Decreet en een rapport van de Danish Refugee Council en Swiss Refugee Council. Hij stelde dat hij niet effectief hulp kon inroepen bij Italiaanse autoriteiten wegens mensenhandel en bedreigingen.

De rechtbank overwoog dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen aanleiding zien om het vertrouwensbeginsel te verwerpen. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Zijn persoonlijke omstandigheden en het rapport boden onvoldoende grond om af te wijken van de standaardprocedure.

Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.13213 & NL19.13214
uitspraak van de enkelvoudige kamer en van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van 27 juni 2019 in de zaken tussen

[eiser en verzoeker], eiser en verzoeker, V-nummer [V-nummer]

hierna te noemen eiser,
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 200 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet, gelet op de aangevoerde gronden en in het licht van de bestendige en actuele jurisprudentie, op grond van de artikelen 8:54 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1990 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 5 februari 2019 de onderhavige aanvraag ingediend.
3. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat verweerder zijn aanvraag in de nationale procedure had moeten opnemen, aangezien zijn veiligheid in Italië niet is gewaarborgd. Eiser verwijst naar de problemen die hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Volgens eiser kan ten aanzien van Italië niet langer uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst naar het rapport van 12 december 2018 van de Danish Refugee Council (DRC) & de Swiss Refugee Council (SRC), waaruit blijkt dat het risico dat de fundamentele rechten van Dublinterugkeerders worden geschonden naar aanleiding van het Salvini Decreet alleen maar groter is geworden. Verweerder had aanleiding moeten zien om een nader onderzoek op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb in te stellen. Tot slot voert eiser aan dat het onmogelijk is om met documenten te onderbouwen dat hij het slachtoffer is van mensenhandel en bedreigingen en dat hij uit angst voor zijn bedreiger niet naar de Italiaanse autoriteiten durfde te gaan. Feitelijk had hij dus niet de mogelijkheid om (effectief) de hulp van de autoriteiten in te roepen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in verschillende uitspraken, onder meer de uitspraak van 26 november 2015, met zaaknummer 21459/14, J.A. en anderen tegen Nederland en de uitspraak van 9 juni 2016, met zaaknummer 5868/13, S.M.H. tegen Nederland, geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige situatie. Er zijn weliswaar zorgen over de toegang tot de opvang, de opvangfaciliteiten en rechtshulp, maar er is geen sprake van dusdanig ernstige tekortkomingen dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, onder meer in de uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) en 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1085), geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft verwezen naar het rapport van de DRC & SRC. Dit rapport heeft de Afdeling echter al beoordeeld in de voornoemde uitspraak van 8 april 2019. De Afdeling heeft overwogen dat dit rapport een vergelijkbaar beeld geeft van de situatie in Italië met de situatie die is beoordeeld in de uitspraak van 19 december 2018. De Afdeling ziet in dit rapport geen aanleiding te oordelen dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit eisers verklaringen blijkt ook niet dat de asielprocedure of de opvangvoorzieningen in Italië structurele tekortkomingen vertonen. Zo heeft eiser tijdens het Aanmeldgehoor Dublin verklaard dat hij twee asielaanvragen heeft ingediend die zijn afgewezen en dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvragen opvang heeft gehad.
5.3.
In het geval van eventuele problemen die zich in Italië voordoen dan wel hebben voorgedaan, zoals de gestelde mensenhandel en bedreigingen, kan eiser zich tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten dan wel de geëigende instanties wenden om aangifte te doen en hulp te verkrijgen. Eiser heeft gesteld dat hij niet om hulp heeft durven vragen maar heeft niet nader onderbouwd dat het vragen van hulp onmogelijk was. Eiser heeft ook geen algemene informatie overgelegd, waaruit blijkt dat klagen voor hem niet mogelijk is omdat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Verder is gesteld noch gebleken dat eiser in Nederland aangifte heeft gedaan van mensenhandel of van plan is dat te doen.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt om die reden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

- de rechtbank verklaart het beroep ongegrond;
- de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist, staat geen rechtsmiddel open.