ECLI:NL:RBDHA:2019:6846
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag en oplegging inreisverbod wegens veilig land van herkomst Tunesië
Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van asiel. Zijn aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen als kennelijk ongegrond en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser stelde dat hij in Tunesië onrechtvaardig veroordeeld was en vreest bij terugkeer arrestatie en marteling, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.
De rechtbank overwoog dat Tunesië is aangewezen als veilig land van herkomst en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn specifieke situatie internationale bescherming nodig heeft. Hij heeft geen documenten overgelegd en verbleef na het incident nog enige tijd in Tunesië zonder problemen. Ook zijn verblijf in Italië en Frankrijk zonder asielaanvraag ondermijnt de noodzaak van bescherming.
Ten aanzien van het inreisverbod stelde de rechtbank dat de Staatssecretaris op grond van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit verplicht is dit op te leggen bij onmiddellijke vertrekplicht. Het beleid schrijft een maximale duur van twee jaar voor, en persoonlijke ontwikkelingswensen van eiser vormen geen reden tot afwijking.
Het beroep is derhalve ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod is ongegrond verklaard.