ECLI:NL:RBDHA:2019:6846

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 mei 2019
Publicatiedatum
10 juli 2019
Zaaknummer
NL19.9016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.105ba Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en oplegging inreisverbod wegens veilig land van herkomst Tunesië

Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van asiel. Zijn aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen als kennelijk ongegrond en er werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser stelde dat hij in Tunesië onrechtvaardig veroordeeld was en vreest bij terugkeer arrestatie en marteling, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.

De rechtbank overwoog dat Tunesië is aangewezen als veilig land van herkomst en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn specifieke situatie internationale bescherming nodig heeft. Hij heeft geen documenten overgelegd en verbleef na het incident nog enige tijd in Tunesië zonder problemen. Ook zijn verblijf in Italië en Frankrijk zonder asielaanvraag ondermijnt de noodzaak van bescherming.

Ten aanzien van het inreisverbod stelde de rechtbank dat de Staatssecretaris op grond van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit verplicht is dit op te leggen bij onmiddellijke vertrekplicht. Het beleid schrijft een maximale duur van twee jaar voor, en persoonlijke ontwikkelingswensen van eiser vormen geen reden tot afwijking.

Het beroep is derhalve ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.9016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S.R. Mangroelal).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
Tevens is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.9017, plaatsgevonden op 21 mei 2019. Eiser en gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Tunesische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag aangevoerd dat hij tot tien jaar gevangenisstraf is veroordeeld bij verstek. Tijdens het uitgaan vond er een woordenwisseling plaats tussen eiser en [A] en eiser heeft [A] geduwd waardoor hij van een trap is gevallen en zijn rug heeft gebroken. Naderhand hoorde eiser dat [A] bij de politie werkzaam is en gehandicapt is geraakt door de val. Een vriend van eiser die ook werkzaam is bij de politie heeft eiser gezegd dat hij moest verdwijnen. Nadat eiser was gevlucht vertelde zijn advocaat dat hij niets voor hem kon doen en is eiser bij verstek veroordeeld voor poging tot moord/doodslag.
Eiser vreest dat hij bij terugkeer in Tunesië gearresteerd en gemarteld zal worden.
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
 identiteit, nationaliteit en herkomst;
 veroordeling en bedreiging als gevolg van een ruzie.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de documenten om zijn problemen mee aan te tonen inmiddels zijn opgevraagd. Uit deze documenten zal blijken dat hij in Tunesië geen eerlijk proces heeft gehad en dit in beroep ook niet zal krijgen. Ondanks dat de documenten niet eerder zijn overgelegd, dient verweerder hier nog wel rekening mee te houden.
Tevens vreest eiser voor een behandeling in Tunesië die een schending van artikel 3 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.
Daarnaast is het voor verweerder geen plicht om een inreisverbod op te leggen, aangezien hier voor eiser grote consequenties aan verbonden zijn.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 20 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2781) geoordeeld dat de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst voldoet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat de situatie in Tunesië thans anders is. Gelet hierop bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Tunesië geen internationale bescherming nodig hebben. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat Tunesië in zijn specifieke omstandigheden toch niet veilig is.
4.2
De presumptie van veilig land van herkomst kan echter niet worden gehandhaafd wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende land van herkomst in zijn persoonlijke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser dit niet inzichtelijk heeft weten te maken middels zijn verklaringen. Eiser heeft geen documenten overgelegd en aangezien hij in januari 2018 uit Tunesië is vertrokken en hij steeds gewezen is op het belang van het overleggen van documenten, heeft verweerder terecht gesteld dat eiser de mogelijkheid had om documenten te overleggen. Dit komt voor rekening van eiser.
4.3
De omstandigheid dat hij bijna een jaar in Italië heeft verbleven en daarna nog een paar maanden in Frankrijk zonder in deze landen een asielaanvraag in te dienen, doet verder afbreuk aan de gestelde noodzaak van internationale bescherming. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij nog ongeveer een maand na het gestelde incident in Tunesië heeft verbleven, waarin hij geen problemen heeft ondervonden. Evenmin zijn de autoriteiten opzoek gegaan naar hem. Hierdoor is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Tunesië in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal staan. Niet gebleken is voorts dat eiser zich bij voorkomende problemen niet zou kunnen wenden tot de (hogere) Tunesische autoriteiten en dat deze hem niet willen of kunnen helpen.
4.4
Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen het inreisverbod overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 gehouden is een inreisverbod uit te vaardigen, aangezien eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. De duur van het inreisverbod van twee jaar volgt uit artikel 6.5a van het Vb 2000. Verweerder voert in dit verband beleid dat is neergelegd in paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op grond van dit beleid vaardigt verweerder een inreisverbod uit voor de maximale duur als genoemd in artikel 6.5a van het Vb 2000. De omstandigheid dat eiser de komende jaren op legale wijze naar Europe wil komen om zich persoonlijk te ontwikkelen is geen reden voor verweerder om van het inreisverbod af te zien.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Maas, griffier, op 24 mei 2019.
griffier rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.