Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.ZELFSTANDIGEN BOUW te Woerden,
[eiser A]te [plaats 1] ,
[eiser B]te [plaats 2] ,
[eiser C]te [plaats 3] ,
1.DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,
STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 november 2017 met producties;
- de conclusie van antwoord namens de Staat met productie;
- de conclusie van antwoord namens Bpf Schilders met producties;
- het tussenvonnis van 14 maart 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van comparitie van 5 november 2018 en de opmerkingen van Zelfstandigen Bouw c.s. bij brief van 26 november 2018 daarover.
2.De feiten
3.Relevante wetgeving en beleid
4.Het geschil
5.De beoordeling
De Wet Bpf 2000 en de verplichtstelling van zzp’ers
hetzij mede ten bate van personen, die in andere hoedanigheid in die bedrijfstak werkzaam zijn, gelden voor pensioenen worden bijeengebracht” en werd in art. 1 onder Pro c onder bedrijfsgenoot verstaan “
ieder, die in de betrokken bedrijfstak werkzaam is” (onderstrepingen Rb.). In de Memorie van Toelichting bij de Wet Bpf 1949 staat in dit verband omschreven dat de verplichtstelling tot deelneming destijds mogelijk moest worden geacht voor werkgevers en zelfstandige werkers om sociale of economische redenen (
KamerstukkenII, 1948-1949, 785, nr. 3, p. 3).
KamerstukkenII, 1999-2000, 27 073, nr. 3, p. 1). In deze nota, getiteld
Flexibilisering en verplichtstelling in de pensioensector, wordt over het belang van de verplichtstelling onder meer het volgende opgemerkt: “Het geheel overziende komt het kabinet (…) tot de conclusie dat de verplichtstelling behouden dient te blijven, dat wil zeggen dat de mogelijkheid tot het realiseren van een pensioenplicht per bedrijfstak op verzoek van de sociale partners moet blijven bestaan. Het is aan de sociale partners om te bepalen of de solidariteit zich moet beperken tot werknemers binnen een onderneming dan wel zich ook moet uitstrekken tot ondernemingen binnen een bedrijfstak.” (
KamerstukkenII, 1995-1996, 25 014, nr. 1). Daarin is bevestiging te vinden dat de mogelijkheid tot verplichtstelling per bedrijfstak, die zich niet tot werknemers beperkt, in de visie van de wetgever moet worden gecontinueerd onder de Wet Bpf 2000.
Mededingingsrechtelijke uitgangspunten: kartelverbod en ‘nieuwe norm’
Eurosaneamientos, C‑532/15 en C‑538/15, ECLI:EU:C:2016:932, punten 34 en 35).
Pavlov, C-180/98 tot en met C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 60; HvJEU 4 december 2014,
FNV Kiem, C-413/13, ECLI:EU:C:2014:2411, punt 23).
FNV Kiem, reeds aangehaald, punt 27). Dit criterium maakt dat zzp-schilders in beginsel als ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht zijn aan te merken.
Pavlov, reeds aangehaald, punt 85; HvJEU
FNV Kiem, reeds aangehaald, punt 28).
KamerstukkenII 2004/2005, 30 071, nr. 3, p. 18), reeds omdat daarin niet rekening is gehouden met latere jurisprudentie van het HvJEU. Het beroep van de Staat op de wettelijke vrijstelling van art. 16 onder Pro b Mw slaagt daarom niet. De afspraak van sociale partners om te komen tot een wijziging van de aansluitplicht bij Bpf Schilders en het door hen daaropvolgende ingediende verplichtstellingsverzoek valt in zoverre evenmin wegens zijn aard en doel buiten de werkingssfeer van het kartelverbod van art. 6 lid 1 Mw Pro.
Hoffmann La Roche, C-179/16, ECLI:EU:C:2018:25)
Pavlovheeft overwogen, kan sprake zijn van geringe mededingingsbeperkende effecten als gevolg van een dergelijke harmoniserende afspraak binnen het kader van aanvullend pensioen. Daarom is een realistische analyse van de beperkende effecten vereist.
Völk, 5/69, ECLI:EU:C:1969:35, punt 7; HvJEU 23 november 2006,
ASNEF-EQUIFAX, C-238/05, ECLI:EU:C:2006:734, punt 50).
Pavlov-arrest het verplichtstellingsverzoek en het Verplichtstellingsbesluit geen schending van art. 101 lid 1 VWEU Pro kunnen opleveren (vgl. HvJEU
Pavlov, reeds aangehaald, punt 98 en 100).