ECLI:NL:RBDHA:2019:7480
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering voorrangsverklaring wegens eigen keuze woonruimte en onvoldoende onschuldige situatie
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een voorrangsverklaring om sneller in aanmerking te komen voor passende woonruimte. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019. De rechtbank overweegt dat eiser zijn gezin uit het buitenland heeft laten overkomen zonder passende woonruimte te hebben, en van ongeschikte naar wederom ongeschikte woonruimte is verhuisd.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet buiten eigen schuld en toedoen in zijn huidige woonsituatie is gekomen, zoals vereist in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening. Ook is niet voldaan aan de voorwaarde dat de situatie niet op andere wijze kan worden opgelost, aangezien noodopvang beschikbaar is. De hardheidsclausule is niet van toepassing omdat de situatie van eiser zich niet voldoende onderscheidt van anderen in vergelijkbare omstandigheden.
Het beroep tegen het besluit tot weigering van de voorrangsverklaring is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wijst erop dat eiser met zijn gezin kan blijven wonen zolang de huur wordt betaald en dat eventuele onderhoudsproblemen bij de verhuurder kunnen worden aangekaart. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de voorrangsverklaring wordt ongegrond verklaard.