ECLI:NL:RVS:2018:1922
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing urgentieverklaring wegens zelf veroorzaakte woonnoodsituatie
Appellant vroeg een urgentieverklaring aan vanwege angstklachten die het gebruik van de lift onmogelijk maken, terwijl zij op de vijfde etage woont met jonge kinderen die de trap niet kunnen nemen. Holland Rijnland wees de aanvraag af omdat de situatie voorzienbaar was bij aanvaarding van de woning in 2009 en appellant zich niet tijdig als woningzoekende had ingeschreven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De voorzieningenrechter oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie uitzonderlijk is en dat Holland Rijnland terecht geen gebruik maakte van de hardheidsclausule.
Verder werd het bezwaar dat appellant niet medisch is gekeurd buiten beschouwing gelaten omdat dit niet eerder was ingebracht. Nieuwe gronden die verder gaan dan het bestreden besluit worden niet meegenomen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd omdat de woonnoodsituatie door appellant zelf is veroorzaakt of voorkomen had kunnen worden.