ECLI:NL:RBDHA:2019:7603
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging belastingrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2016 wegens schending zorgvuldigheidsbeginsel
De rechtbank Den Haag behandelde een geschil over de belastingrente die in rekening werd gebracht bij de derde voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016. Eisers betoogden dat verweerder bij het opleggen van de tweede voorlopige aanslag niet de vereiste zorgvuldigheid had betracht, omdat het aangegeven bedrag significant afweek van de vaststellingsovereenkomst en de eerste voorlopige aanslag. Hierdoor was het redelijkerwijs duidelijk dat het bedrag van de tweede voorlopige aanslag vermoedelijk lager was dan toegestaan.
De rechtbank stelde vast dat verweerder belastingrente had berekend over de wettelijke periode, maar dat verweerder had gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door niet handmatig te controleren of het aangegeven bedrag juist was, ondanks de beschikbare informatie en het feit dat de eerste voorlopige aanslag handmatig was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat verweerder had moeten nagaan of het aangegeven bedrag klopte en hierover vragen had moeten stellen aan erflater.
Als gevolg hiervan werd de belastingrente die voortvloeide uit de verlaging van de tweede voorlopige aanslag ten onrechte in rekening gebracht. De rechtbank vernietigde het deel van de uitspraak op bezwaar dat de belastingrente betrof, droeg verweerder op de belastingrentebeschikking te verminderen en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eisers.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beschikking belastingrente en draagt verweerder op deze te verminderen wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.