ECLI:NL:RBDHA:2019:7615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2019
Publicatiedatum
25 juli 2019
Zaaknummer
NL19.13866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom en gehoortermijn

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Verweerder erkent de overschrijding van de beslistermijn en wijst op capaciteitsproblemen door een verhoogde instroom en personeelsproblemen.

De rechtbank overweegt dat er sprake is van een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, van de Awb, waardoor een andere voorziening dan een beslistermijn passend is. De rechtbank draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van de uitspraak een eerste gehoor in de algemene asielprocedure te houden.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor het geval verweerder deze termijn overschrijdt. Verweerder wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser ad €256. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een eerste gehoor te houden en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.13866
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiser], eiser,
gemachtigde: mr. J-A. Nijland,
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 15 juni 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen een andere termijn te bepalen.
2. Eiser heeft verweerder op 17 april 2019 in gebreke gesteld. Verweerder heeft erkend dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder heeft aangekondigd in het besluit op de asielaanvraag ook te zullen beslissen over een eventuele dwangsom op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb. Omdat tot op heden nog geen beslissing op de aanvraag van eiser is genomen, is het beroep kennelijk gegrond.
3.1
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld in haar verweerschrift van 5 juli 2019 dat zij vanwege de hoger dan verwachte instroom en een andere samenstelling daarvan, in met name de Algemene- en Verlengde Asielprocedure, de voorraden in 2018 zijn opgelopen, hetgeen heeft geresulteerd in (aanzienlijke) achterstanden. Voorts deelt verweerder mee dat zij extra personeel werft en dat zij verwacht met de inzet van dit extra personeel de voorraden terug te brengen.
3.2
Eiser heeft de rechtbank verzocht niet eerst en alleen verweerder op te dragen om binnen een termijn van acht weken een eerste gehoor te plannen. Eiser stelt dat
artikel 8:55d, lid 3, van de Awb niet voorziet in de mogelijkheid om in dit soort gevallen een dergelijke voorziening te bepalen, omdat er geen sprake is van een niet-voorzienbare piekbelasting. Daarbij stelt eiser dat verweerder niet te maken heeft met een verhoogde of (plotselinge) daling van het aantal asielaanvragen, maar dat zij te weinig personeel heeft door haar aanname- en ontslagbeleid.
3.3
De stelling van eiser dat artikel 8:55d, lid 3, van de Awb niet voorziet in de mogelijkheid om in dit soort gevallen een dergelijke voorziening te bepalen, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wet beroep bij niet tijdig beslissen (30 435, nr. 3) kan van een dergelijk geval sprake zijn als het bestuursorgaan zich geconfronteerd ziet met een onverwachte piekbelasting waarmee het redelijkerwijs geen rekening kon houden, of met een crisissituatie op grond waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kon besluiten om capaciteit tijdelijk elders in te zetten. De rechtbank heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de door verweerder geuite verwachting dat de achterstanden van tijdelijke aard zijn, omdat nieuwe medewerkers zijn aangenomen, die thans worden ingewerkt. De rechtbank acht tot slot van belang, ook onder verwijzing naar eerdergenoemde memorie van toelichting, dat het belang van snelle besluitvorming soms moet wijken voor het belang van zorgvuldige besluitvorming. De op verweerder rustende verplichting om een zorgvuldig besluit te nemen weegt in dit geval zwaarder dan de plicht om tijdig een besluit te nemen.
3.4
De rechtbank stelt vast dat nog geen gehoor heeft plaatsgevonden en overweegt dat, gelet op de verhoogde instroom en de capaciteitsproblemen bij verweerder, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank zal in dit geval niet een beslistermijn opleggen, maar een andere voorziening als bedoeld in dat derde lid. In de situatie dat een asielzoeker de algemene asielprocedure nog niet is ingestroomd is het immers niet goed mogelijk om in te schatten binnen welke termijn het bestuursorgaan een besluit zal nemen op de asielaanvraag. Deze duidelijkheid zal in het algemeen pas verkregen worden nadat de asielgehoren hebben plaatsgevonden. Op dag vijf van de algemene asielprocedure beslist verweerder namelijk of hij over voldoende informatie beschikt om in de algemene asielprocedure een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Indien verweerder dan tot de conclusie komt dat nader onderzoek moet plaatsvinden in de verlengde asielprocedure zou een door de rechtbank opgelegde beslistermijn de zorgvuldigheid van dat onderzoek kunnen doorkruisen. Gelet hierop zal de rechtbank een andere voorziening opleggen, inhoudende dat verweerder opgedragen wordt een start te maken met de algemene asielprocedure door het houden van een eerste gehoor.
3.5
De rechtbank acht een termijn van acht weken na de uitspraak in beginsel redelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder enige gelegenheid moet krijgen om efficiënt te plannen door bijvoorbeeld een nationaliteit te clusteren zoals door verweerder is aangegeven. Indien reeds een datum voor het eerste gehoor is vastgesteld, die binnen een termijn van acht weken na de uitspraak is gelegen, is het aangewezen om te bepalen dat het eerste gehoor uiterlijk op die datum zal worden gehouden.
4. De bestuursrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij deze termijn overschrijdt. De bestuursrechter stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
5. Voorts ziet de bestuursrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De bestuursrechter stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 256,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van eiser;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak eiser te horen in de algemene asielprocedure;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 256,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van A.M.S.J. Baggerman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 18 juli 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.