ECLI:NL:RBDHA:2019:7827
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en indirect refoulement
Eiser, met de Somalische nationaliteit, verzocht Nederland om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen, maar verweerder wees dit af op grond van de Dublinverordening omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser vreesde indirect refoulement vanwege een beleidswijziging in Denemarken die zijn verblijfsvergunning introk en stelde dat Nederland het verzoek op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. De rechtbank oordeelde dat verweerder ervan uit mag gaan dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen nakomt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet het geval is.
De rechtbank concludeerde dat de verwijzingen van eiser naar een beleidswijziging, een artikel op een website en een uitspraak van de Afdeling niet voldoende bewijs vormen voor het schenden van het Vluchtelingenverdrag of het EVRM door Denemarken. Ook zijn persoonlijke relaas overtuigde niet.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen vanwege verantwoordelijkheid Denemarken.