ECLI:NL:RBDHA:2019:8095
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen afwijzing verzoek opheffing inreisverbod en herziening intrekking verblijfsvergunning
Eiser heeft verzocht om herziening van de intrekking van zijn verblijfsvergunning en om opheffing van een tienjarig inreisverbod. Verweerder heeft het zware inreisverbod vervangen door een licht inreisverbod van twee jaar en het verzoek tot herziening van de intrekking van de verblijfsvergunning afgewezen. De rechtbank oordeelt dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening van de intrekking van de verblijfsvergunning en zendt dit door als bezwaar.
De rechtbank beoordeelt wel het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod en oordeelt dat het verzoek terecht is afgewezen, omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een opheffing rechtvaardigen. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat het inreisverbod terecht is teruggebracht naar twee jaar vanwege het ontbreken van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging.
De rechtbank wijst het beroep tegen het inreisverbod af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard; het beroep tegen de herziening van de intrekking van de verblijfsvergunning wordt doorgezonden als bezwaar.