ECLI:NL:RBDHA:2019:822
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Oekraïense asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.
Eiser voerde aan dat hij in Duitsland geen adequate medische hulp had ontvangen en vreesde dat dit bij terugkeer niet zou verbeteren. De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen lidstaten en dat eiser concrete aanwijzingen moest leveren dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland zodanige tekortkomingen vertoont dat zijn rechten worden geschonden. Eiser slaagde hier niet in, omdat hij geen medische stukken overlegde die een ernstige verslechtering van zijn gezondheid bij overdracht aantoonden.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin is bepaald dat overdracht van een zeer zieke vreemdeling een reëel risico kan inhouden, maar concludeerde dat dit niet op eiser van toepassing was. Ook de vrees voor indirect refoulement werd verworpen omdat Duitsland op grond van het claimakkoord de asielaanvraag zorgvuldig zal behandelen.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt bevestigd.