ECLI:NL:RBDHA:2019:8301
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vreemdelingenwet
Eiser werd op 17 april 2019 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij rechtmatig verblijf had op basis van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw, omdat hij bezwaar had gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting en een voorlopige voorziening was toegewezen die uitzetting opschortte.
De rechtbank volgde eiser en oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf 28 juni 2019, de laatste dag waarop de bewaring had kunnen worden omgezet. De rechtbank beval de opheffing van de bewaring met ingang van 17 juli 2019.
Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.600,- voor 19 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.024,- aan de rechtsbijstandverlener van eiser.
De rechtbank verwierp de stelling van verweerder dat eiser geen aanvrager was in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vw, en oordeelde dat het begrip 'aanvrager' onder h ruimer moet worden geïnterpreteerd dan onder f en g. De beslissing op het bezwaar was niet met zekerheid verzonden, mede door een stroomstoring.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven per 17 juli 2019, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.