Uitspraak
Datum uitspraak: 13 mei 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
INHOUDSOPGAVE
voorzitter griffier
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep tegen zijn vreemdelingenbewaring ongegrond verklaarde. De vreemdeling was op 12 januari 2018 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris had in het besluit twee wettelijke grondslagen vermeld, waarvan er één niet werd gehandhaafd in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak analyseerde de wettelijke grondslagen voor vreemdelingenbewaring en het belang van een duidelijke en volledige motivering van de juridische en feitelijke gronden, conform EU-recht en het EVRM. Het Hof van Justitie stelt dat elke grondslag autonoom is en afzonderlijk vermeld moet worden in het besluit.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris niet kan volstaan met het impliciet inlezen van een niet vermelde wettelijke grondslag in de motivering. Ook is de motivering over het gevaar voor de openbare orde onvoldoende, omdat niet is toegelicht waarom de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een actueel gevaar vormen. Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. De vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard met toekenning van schadevergoeding.