Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr. S.L. Mehlbaum, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Eiser betoogt dat hij niet aan Duitsland kan worden overgedragen omdat hij in Nederland aangifte wil doen tegen mensenhandelaren in Duitsland die hem met de dood bedreigen. Hij stelt dat het feitelijk onmogelijk is om in Nederland aangifte te doen en dat hij het vertrouwen in de Duitse autoriteiten heeft verloren. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat verweerder niet heeft gereageerd op zijn verzoek om overdracht aan een ander land dan Duitsland.
De rechtbank oordeelt dat eiser nog geen aangifte heeft gedaan en geen verblijfstitel heeft zoals bedoeld in de Dublinverordening, waardoor Duitsland verantwoordelijk blijft. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat Nederland mag aannemen dat Duitsland in staat is om bescherming te bieden en dat eiser zich bij problemen tot de Duitse autoriteiten moet wenden. Ook de medische klachten van eiser zijn geen grond om de behandeling aan Nederland toe te wijzen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.