ECLI:NL:RBDHA:2019:8610
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende bewijs terugkeer Marokko
Eiser, woonachtig in Marokko, heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat onvoldoende was aangetoond waarom eiser naar Nederland wilde komen en dat hij tijdig zou terugkeren naar Marokko.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat het beroep tijdig was ingediend, ondanks dat het niet via Post NL was verzonden, in lijn met recente jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie.
De rechtbank heeft de inhoudelijke gronden van het beroep onderzocht, ondanks dat deze in het Duits waren opgesteld en eiser niet had gereageerd op het verzoek om een Nederlandse vertaling. Eiser stelde dat hij op uitnodiging van zijn neef enkele maanden in Nederland wilde verblijven en zeker tijdig zou terugkeren. De minister had echter onvoldoende bewijs geleverd dat de referent daadwerkelijk de neef was en dat eiser een sociale en economische binding met Marokko had.
De rechtbank vond dat de minister terecht het visum had geweigerd en verklaarde het beroep kennelijk ongegrond. De kosten van de procedure worden niet vergoed aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos op 22 augustus 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum wordt ongegrond verklaard en het visum wordt niet toegekend.