ECLI:NL:RBDHA:2019:8631

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
NL19.14779
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 3.106a VreemdelingenbesluitArtikel 72 AsylgesetzArtikel 14 KwalificatierichtlijnArtikel 51 Aufenthaltsgesetz
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland

Eiseres, van Syrische nationaliteit, diende op 11 april 2019 een asielverzoek in Nederland in. Verweerder verklaarde haar aanvraag niet-ontvankelijk omdat uit Eurodac bleek dat zij sinds 22 augustus 2017 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiseres voerde aan dat haar Duitse vluchtelingenstatus was vervallen omdat zij in november 2018 vrijwillig Duitsland had verlaten om familie in Syrië te bezoeken.

De rechtbank oordeelde dat de Duitse autoriteiten de internationale bescherming niet hadden ingetrokken. De door eiseres overgelegde e-mailcorrespondentie met de gemeente Lörrach was onvoldoende omdat de gemeente niet bevoegd is om een vluchtelingenstatus in te trekken. De Duitse federale instantie (BAMF) bevestigde dat eiseres nog steeds bescherming geniet. Ook het argument dat de verblijfsvergunning van rechtswege zou zijn vervallen, werd verworpen omdat internationale bescherming alleen eindigt na een individuele beoordeling.

Verder stelde eiseres dat zij een sterkere band met Nederland heeft vanwege familieleden die daar wonen. De rechtbank volgde dit niet, omdat volgens vaste jurisprudentie de band met Duitsland zodanig is dat terugkeer redelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiseres nog internationale bescherming geniet in Duitsland en terugkeer redelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL19.14779

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.14780, plaatsgevonden op 25 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit. Zij heeft op 11 april 2019 in Nederland een asielverzoek ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat uit de registratie in Eurodac is gebleken dat eiseres sinds 22 augustus 2017 internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiseres heeft met de door haar op 17 april 2019 overgelegde
e-mailcorrespondentie met de Duitse gemeente Lörrach van 11 maart 2019 niet onderbouwd dat haar asielstatus in Duitsland is ingetrokken. Verweerder heeft daarnaast op 11 juni 2019 aan de Duitse autoriteiten een terugnameverzoek gedaan op grond van de Dublinverordening, waarin deze e-mailcorrespondentie is bijgevoegd. Bij brief van 18 juni 2019 hebben de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek geweigerd omdat aan eiseres op 29 oktober 2016 een asielstatus is verleend. Hieruit blijkt dat eiseres nog steeds internationale bescherming geniet.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen internationale bescherming in Duitsland meer geniet, omdat zij op 11 november 2018 vrijwillig Duitsland is uitgereisd om haar familie in Syrië te kunnen bezoeken. Haar Duitse vluchtelingenstatus
(Flüchtlingseigenschaft)en haar verblijfsvergunning
(Aufenthaltstitel)zijn daarom van rechtswege op 17 december 2018 komen te vervallen. Als een vluchteling is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, kan een asielstatus ook zonder expliciet intrekkingsbesluit vervallen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij wederom verwezen naar de door haar overgelegde e-mailcorrespondentie. Eiseres meent dat zij mag afgaan op de informatie verstrekt door de ambtenaar, werkzaam voor de gemeente Lörrach van de afdeling burgerzaken buitenlanders
(Fachbereich Bürgerdienste Ausländerangelegenheiten).
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit, kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling een zodanige band heeft met dat land, dat het voor hem of haar redelijk zou zijn om terug te keren naar dat land.
5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten op 29 oktober 2016 aan eiseres de asielstatus hebben verleend. Voorts is niet in geschil dat eiseres op 11 november 2018 Syrië is ingereisd en op 9 april 2019 Syrië is uitgereisd. In geschil is of eiseres nog altijd internationale bescherming geniet in Duitsland.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres deze internationale bescherming nog altijd geniet. Anders dan eiseres heeft betoogd, is uit de door haar overgelegde e-mailcorrespondentie met de gemeente Lörrach niet gebleken dat de Duitse autoriteiten haar vluchtelingenstatus hebben ingetrokken of beëindigd. In Duitsland is de
Bundesambt für Migration und Flüchtelinge(BAMF) de bevoegde instantie om een verleende status te verlenen of in te trekken, en niet de gemeente. Daarnaast volgt uit de brief van de Duitse autoriteiten van 18 juni 2019 dat zij in reactie op de overgelegde e-mailcorrespondentie uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat zij aan eiseres internationale bescherming hebben verleend. In deze brief wordt voorts meegedeeld dat de Dublinverordening daarom niet langer van toepassing is, en dat in plaats daarvan bilaterale afspraken van toepassing zijn. Verzocht wordt contact op te nemen met de Duitse Federale Grenspolitie.
7. Eiseres wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat uit artikel 72 van Pro de Duitse asielwet
(§ 72 Asylgesetz)volgt dat haar vluchtelingenstatus van rechtswege is ingetrokken. Uit artikel 14, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn [1] blijkt immers dat de lidstaat die de vluchtelingenstatus heeft verleend per geval aantoont dat de betrokken persoon geen vluchteling meer is of dat nooit is geweest.
8. Eiseres heeft voorts in haar nadere gronden van 24 juli 2019 een artikel van 12 december 2012 overgelegd van de wetenschappelijke dienst van de Duitse Bondsdag over artikel 51 van Pro de Duitse verblijfsvergunningswet
(§ 51 Aufenthaltsgesetz). Hieruit zou volgens eiseres blijken dat als een statushouder uitreist zonder daarvoor tijdelijk een reden te geven, de verblijfsvergunning komt te vervallen. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, brengt het verlopen van een verblijfstitel niet met zich mee dat eiseres geen internationale bescherming meer heeft. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 mei 2017 en van 18 juli 2019. [2] Een internationale beschermingsstatus eindigt namelijk alleen na een individuele beoordeling en daarvan is in het geval van eiseres niet gebleken. Eiseres wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat verweerder nader onderzoek had dienen te doen.
9. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij een sterkere band heeft met Nederland dan met Duitsland, omdat haar moeder en broer in Nederland wonen. Nu vaststaat dat eiseres nog altijd internationale bescherming in Duitsland geniet, heeft verweerder, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] , terecht aangenomen dat eiseres een zodanige band met Duitsland heeft dat het voor haar redelijk zou zijn om naar dat land te gaan.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/95/EU
3.Waaronder de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1606