ECLI:NL:RBDHA:2019:8641
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Soedanese jongvolwassene, diende op 7 maart 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname bij Frankrijk ingediend, dat door Frankrijk werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat de aanvraag op grond van artikel 16 of Pro 17 van de Dublinverordening wel in behandeling had moeten worden genomen vanwege de familieband met zijn moeder in Nederland en het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie die volgens hem ten onrechte werd aangenomen. Hij verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van zijn standpunt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen belemmeringen zijn voor overdracht aan Frankrijk. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat sprake was van afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 16 Dublinverordening Pro. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard zouden maken of behandeling door Nederland rechtvaardigen op grond van artikel 17. De afhankelijkheidstoets bij mvv-gezinshereniging is niet gelijk aan de afhankelijkheid in artikel 16 Dublinverordening Pro.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier R. Kroon-Overdijk op 19 augustus 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de aanvraag verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.