ECLI:NL:RBDHA:2019:8641

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 augustus 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
NL19.17300
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening EU nr. 604/2013 (Dublinverordening)Art. 16 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Soedanese jongvolwassene, diende op 7 maart 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname bij Frankrijk ingediend, dat door Frankrijk werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat de aanvraag op grond van artikel 16 of Pro 17 van de Dublinverordening wel in behandeling had moeten worden genomen vanwege de familieband met zijn moeder in Nederland en het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie die volgens hem ten onrechte werd aangenomen. Hij verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van zijn standpunt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen belemmeringen zijn voor overdracht aan Frankrijk. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat sprake was van afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 16 Dublinverordening Pro. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard zouden maken of behandeling door Nederland rechtvaardigen op grond van artikel 17. De afhankelijkheidstoets bij mvv-gezinshereniging is niet gelijk aan de afhankelijkheid in artikel 16 Dublinverordening Pro.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier R. Kroon-Overdijk op 19 augustus 2019.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de aanvraag verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.17300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.17301, plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fawzi.. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1989 en de Soedanese nationaliteit te hebben. Op 7 maart 2019 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen en het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In dit artikel is bepaald dat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening EU nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen en stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 16 of Pro artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. De familieband tussen eiser en zijn moeder had daartoe voldoende reden moeten zijn en het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie is in dat kader ten onrechte tegengeworpen. Een eerdere aanvraag voor een mvv-gezinshereniging is afgewezen. Eiser is nu 23 jaar oud en valt onder het gezinsherenigingsbeleid zoals dat geldt voor jong volwassenen, waarvoor het vereiste van de afhankelijkheidsrelatie niet wordt gesteld. Niet valt in te zien waarom deze meer gunstige voorwaarde niet wordt toegepast bij de beoordeling of grond bestaat toepassing te geven aan artikel 16 of Pro artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW9118) en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:3054).
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van belemmeringen voor de feitelijke overdracht aan Frankrijk niet is gebleken. Daartoe is van belang dat eiser niet heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft bovendien terecht overwogen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van een onevenredige hardheid getuigt of van een bijzonder samenstel van factoren dat maakt dat de behandeling van het verzoek door Nederland op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in de rede ligt. Terecht is overwogen dat het enkele feit dat de moeder, broer en zus van eiser in Nederland wonen en een eerder verzoek om gezinshereniging is afgewezen niet maakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Hetgeen door eiser is aangevoerd omtrent het al dan niet aanwezig zijn van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn moeder, treft geen doel. De afhankelijkheidstoets waar eiser aan refereert speelt enkel een rol bij verzoeken om gezinshereniging en heeft niets van doen met de afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.Kroon-Overdijk, griffier.
griffier rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.