ECLI:NL:RVS:2012:BW9118
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- J. Verbeek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning na verjaring en schending rechtszekerheid
De vreemdelingen sub 1 en 2 kregen in 1995 een vluchtelingenstatus die in 2001 werd omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 16 september 2007, twaalf jaar na de eerste statusverlening, hanteerde de minister een werkinstructie die intrekking van deze vergunningen niet meer toestond. Toen deze werkinstructie werd afgeschaft, trok de minister in 2011 alsnog met terugwerkende kracht de vergunningen in wegens onjuiste gegevens.
De vreemdelingen stelden dat deze intrekking onrechtmatig was omdat de verjaringstermijn was verstreken en het vertrouwen in de onherroepelijkheid van hun verblijfsstatus was geschonden. De rechtbank wees dit beroep af, maar de Raad van State oordeelde anders. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het intrekken van de vergunningen na het verstrijken van de verjaringstermijn en het afschaffen van het gunstige beleid in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel.
Voor de vreemdeling sub 3, geboren in 1999, was de verjaringstermijn nog niet verstreken ten tijde van het afschaffen van de werkinstructie. De minister moet de intrekking van zijn verblijfsvergunning opnieuw motiveren. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de intrekkingsbesluiten, en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekkingsbesluiten van verblijfsvergunningen worden vernietigd wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen.