ECLI:NL:RBDHA:2019:8670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
C/09/565845 / FA RK 18-9631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:401 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en gezamenlijk gezag na samenwoning en geboorte kinderen

Partijen, ouders van een minderjarige, hebben een eerdere alimentatieovereenkomst van €120 per maand. De vrouw verzoekt wijziging van de kinderalimentatie wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder samenwoning met nieuwe partners en de geboorte van twee kinderen. De rechtbank oordeelt dat het wegvallen van het recht op kindgebonden budget door samenwoning geen rechtens relevante wijziging is voor aanpassing per 1 januari 2019.

Wel acht de rechtbank de geboorte van de kinderen van beide partijen een relevante wijziging, waardoor de alimentatie per 1 mei 2019 wordt aangepast naar €290 per maand door de man. De draagkracht van de man is vastgesteld op €580 per maand, waarvan 50% voor de alimentatie van de minderjarige wordt gerekend. De draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld op €200 per maand, met een aanpassing naar €100 per maand vanaf 1 juli 2019.

De rechtbank kent een zorgkorting van 15% toe, passend bij de omgangsregeling, maar deze vervalt omdat de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is om volledig in de behoefte van het kind te voorzien. Tevens wordt het verzoek van de man toegewezen om gezamenlijk gezag over de minderjarige toe te kennen, wat in het belang van het kind wordt geacht.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 mei 2019 €290 per maand kinderalimentatie betalen en partijen krijgen gezamenlijk gezag over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 18-9631
Zaaknummer: C/09/565845
Datum beschikking: 15 juli 2019

Alimentatie en gezag

Beschikking op het 21 december 2018 ingekomen verzoek van:

[X]
de vrouw,
wonende te [woonplaats X]
advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[Y]
de man,
wonende te [woonplaats Y] ,
advocaat: mr. A. Muller te Haarlem.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • de brief, met diverse bijlagen, van 15 mei 2019 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier met bijlagen van 22 mei 2019 van de zijde van de man.
Op 3 juni 2019 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt thans met ingang van 1 januari 2019 de kinderalimentatie op € 200,- per maand te bepalen en vanaf 1 mei 2019 op € 166,- per maand,
kosten rechtens.
De vrouw stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden, waardoor de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de man zelfstandig verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over de minderjarige [minderjarige] .
Feiten
  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
  • [minderjarige] is door de man erkend.
  • De vrouw is van rechtswege alleen met het gezag over [minderjarige] belast.
  • [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
  • Partijen zijn in 2016 (mondeling) een bedrag aan kinderalimentatie overeengekomen van € 120,-per maand.
  • Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het
  • 1 januari 2019 € 126,85 per maand.
  • Op [geboortedatum 2] 2019 is de dochter ( [naam dochter Y] ) van de man en zijn partner [naam partner Y]
  • Op 22 juni 2019 is de dochter ( [dochter X] ) van de vrouw en haar partner [partner X]

Beoordeling

Kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De rechtbank acht de door de vrouw aangevoerde wijziging van omstandigheden, te weten het samenwonen van beide partijen met hun nieuwe partners, de twee baby’s die op komst zijn (en inmiddels zijn geboren) en de start van een eigen onderneming door de man, een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voormeld wetsartikel, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar wijzigingsverzoek. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de door de vrouw gestelde omstandigheden een rechtens relevante wijziging van omstandigheden is die noodzaakt tot wijziging van de kinderalimentatie.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen behandelt de rechtbank allereerst de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de alimentatie.
De door de vrouw gestelde wijziging van omstandigheden per 1 januari 2019, te weten het samenwonen met [partner X] waardoor zij geen recht meer heeft op KGB met alleenstaande ouderkop, acht de rechtbank geen rechtens relevante wijziging die aanpassing van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Immers, tegenover het verlies van dit inkomen staan het inkomen van [partner X] en de mogelijkheid lasten met hem te delen.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de geboorten van baby’s [naam dochter Y] en [dochter X] wel rechtens relevante wijzigingen betreffen. De rechtbank acht het redelijk om de alimentatie voor [minderjarige] allereerst te wijzigen per 1 mei 2019, omdat de man vanaf 16 april 2019 tevens onderhoudsplichtig is voor [naam dochter Y] , en vervolgens per 1 juli 2019, omdat de vrouw vanaf
22 juni 2019 tevens onderhoudsplichtig is voor [dochter X] .
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat het netto gezinsinkomen (NGI) ten tijde van het uit elkaar gaan (2014) € 3.463 bedroeg ((jaarinkomen man € 23.409,- + jaarinkomen vrouw
€ 18.151,- ) / 12 maanden). Op basis hiervan was de behoefte van [minderjarige] destijds, uitgaande van de behoeftetabel 2014, € 529,- per maand en bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2019, na indexatie, € 571,- per maand.
Draagkracht man
Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de man. De man is met ingang van
9 maart 2018 een eigen stukadoorsbedrijf gestart. Daarvoor werkte hij in loondienst. Over de eerste drie maanden van 2018 bedroeg zijn loon € 13.266,-.
Door de vrouw is gesteld dat de man een inkomen uit onderneming van € 40.000,- zou moeten kunnen behalen en, indien hij dat niet kan, er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies.
De man heeft onder verwijzing naar tussentijdse cijfers aangevoerd dat hij als startende ondernemer op jaarbasis een resultaat (voor belasting) van € 32.129,- kan behalen.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies, aangezien de man in loondienst iets heel anders deed dan stukadoren. Hij zit nu in de opstartende fase van zijn eigen bedrijf, waarmee hij op jaarbasis circa € 32.000,- zou kunnen behalen. Gelet hierop, en de door de man overgelegde aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal 2018 waarin een omzet van € 10.789,- is opgegeven, acht de rechtbank het redelijk om voor de man uit te gaan van een inkomen uit onderneming van € 35.000,- per jaar.
Uitgaande van een inkomen uit onderneming van € 35.000,- per jaar en toepassing van de zelfstandigenaftrek, bedraagt het NBI van de man € 2.541,- per maand. Vanwege de toekomstbestendigheid van de alimentatieberekening, heeft de rechtbank hierbij geen rekening gehouden met toepassing van de startersaftrek, aangezien de man deze (naar verwachting) vanaf 2020 niet meer kan toepassen. Op basis hiervan is de draagkracht van de man overeenkomstig de draagkrachtformule 2019: 70% [2.541 – (0,3 x 2.541 + 950)] =
€ 580,- per maand.
Vanaf de geboorte van [naam dochter Y] is de man onderhoudsplichtig voor 2 kinderen, zodat zijn draagkracht voor [minderjarige] vanaf 1 mei 2019 € 290,- per maand is (50% x € 580,-).
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat het jaarinkomen (2018) van de vrouw € 21.338 bedraagt.
Nu het inkomen van de vrouw en haar nieuwe partner [partner X] (loon volgens jaaropgaaf 2018 € 70.768) tezamen € 92.106 bedraagt en dus boven de inkomensgrens voor kindgebonden budget (KGB), houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vrouw geen rekening met KGB.
Uitgaande hiervan bedraagt het NBI van de vrouw € 1.767,- per maand en is de draagkracht van de vrouw overeenkomstig de draagkrachtformule 2019: 70% [1.767 – (0,3 x 1.767 + 950)] = € 200,-
Vanaf de geboorte van [dochter X] is de vrouw onderhoudsplichtig voor 2 kinderen, zodat haar draagkracht voor [minderjarige] vanaf 1 juli 2019 € 100,- per maand is (50% x € 200,-).
Draagkrachtvergelijking
Vanaf 1 mei 2019
De draagkracht van de man is € 290,- per maand en die van de vrouw € 200,- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal € 490,- per maand.
De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
- het eigen aandeel van de man bedraagt: 290 / 490 x 571 = € 338,-, maar gemaximeerd op
€ 290,-;
- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 200 / 490 x 571 = € 233,-, maar gemaximeerd op € 200,-.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarige een gedeelte van € 290,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 200,- per maand voor rekening van de vrouw.
Vanaf 1 juli 2019
De draagkracht van de man is € 290,- per maand en die van de vrouw € 100,- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal € 390,- per maand.
De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
- het eigen aandeel van de man bedraagt: 290 / 390 x 571 = € 425,-, maar gemaximeerd op
€ 290,-;
- het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 100 / 390 x 571 = € 146,-, maar gemaximeerd op € 100,-.
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarige een gedeelte van € 290,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 100,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De vrouw verzoekt rekening te houden met een zorgkorting van 15%. De man heeft hiertegen aangevoerd dat moet worden uitgegaan van 20%, omdat de man – naast de overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken – tevens kosten van het halen en brengen van [minderjarige] voor zijn rekening neemt.
De rechtbank volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de tussen partijen geldende zorgreling, waarbij de man minder dan twee dagen per week omgang heeft met de minderjarige [minderjarige] , geldt een percentage van 15.
Omdat de behoefte € 571,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van
€ 86,- per maand.
Echter, nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, vervalt de aanspraak van de man op de zorgkorting en dienen beide ouders maximaal bij te dragen in de behoefte van [minderjarige] .
De man dient vanaf 1 mei 2019 als kinderbijdrage aan de vrouw te betalen € 290,- per maand. Nu uit de voorgaande berekeningen naar voren komt dat de kinderbijdrage van de man niet wijzigt vanaf 1 juli 2019, is het niet noodzakelijk gebleken de alimentatie vanaf die datum aan te passen.
Gezag
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een minderjarige, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten.
Nu de vrouw zich heeft gerefereerd aan het verzoek van de man om mede belast te worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en de rechtbank van oordeel is dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, zal zij het verzoek van de man toewijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling:
bepaalt de door de man met ingang van 1 mei 2019 te betalen alimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] op
€ 290,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
bepaalt dat voortaan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over voornoemde minderjarige [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2019.