ECLI:NL:RBDHA:2019:8908
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvragen op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiseressen, moeder en dochter met Wit-Russische nationaliteit, dienden op 14 maart 2019 asielaanvragen in Nederland in. Verweerder stelde dat Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvragen op grond van de Dublinverordening, omdat Litouwen eerder Schengenvisa aan hen had verstrekt en de Litouwse autoriteiten hadden ingestemd met overname.
Eiseressen voerden aan dat Nederland op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn discretionaire bevoegdheid had moeten gebruiken om de aanvragen toch te behandelen vanwege risico's op indirect-refoulement, detentie en discriminatie in Litouwen. Ook werd betoogd dat de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op artikel 10 en Pro 11 van de Dublinverordening niet slaagt omdat de echtgenoot van eiseres 1 pas na de asielaanvragen in Nederland aankwam en een aanvraag deed. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en de beoordeling van de door eiseressen aangevoerde bronnen.
De rechtbank vond de risico's in Litouwen onvoldoende onderbouwd en stelde dat eventuele klachten over de situatie in Litouwen bij de Litouwse autoriteiten moeten worden ingediend. Het beroep op artikel 17 faalt Pro omdat niet is aangetoond dat Nederland de aanvragen aan zich had moeten trekken. De beroepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen van eiseressen tegen de niet-behandeling van hun asielaanvragen worden ongegrond verklaard.