ECLI:NL:RBDHA:2019:9043
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 4 maart 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat volgens de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland heeft een verzoek tot terugname bij Italië ingediend, dat door Italië is aanvaard.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet langer kan worden aangenomen en dat overdracht aan Italië in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij verwees onder meer naar verklaringen, een schrijven van VluchtelingenWerk en recente jurisprudentie. De rechtbank volgde echter de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die in een uitspraak van 12 juni 2019 oordeelde dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië nog steeds geldt.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in Italië geen opvang of overheidsondersteuning zou krijgen. Het aangevoerde bewijs was van eerdere datum dan de Afdelingsuitspraak en kon het oordeel van de Afdeling niet weerleggen. De rechtbank wees erop dat eventuele klachten over het niet naleven van Richtlijn 2013/33/EU door Italië bij de Italiaanse autoriteiten moeten worden ingediend.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië blijft gelden.