ECLI:NL:RBDHA:2019:9166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 augustus 2019
Publicatiedatum
2 september 2019
Zaaknummer
NL19.15774
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbVerordening (EU) nr. 603/2013Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië onder Dublinverordening

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 4 september 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser illegaal via Italië de EU was binnengekomen. Italië werd verzocht hem over te nemen, wat op 18 januari 2019 gebeurde. Een opvolgende aanvraag in Nederland op 6 februari 2019 werd eveneens niet in behandeling genomen, met opnieuw een verzoek aan Italië om overname, dat op 28 maart 2019 werd geaccepteerd.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast en dat hij in Italië niet de mogelijkheid kreeg om internationale bescherming aan te vragen. Hij stelde ernstige structurele tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en opvang aan. De rechtbank oordeelde dat Italië in beginsel verantwoordelijk is en dat het claimakkoord van 28 maart 2019 garanties biedt dat de aanvraag conform Europese richtlijnen wordt behandeld.

De rechtbank stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Italië geldt, zoals bevestigd in eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Eiser bracht geen concrete feiten aan die dit vertrouwen zouden ondermijnen. Zijn vrees voor ondermaatse opvang en dakloosheid was onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook werden geen aanvullende garanties vereist omdat eiser niet tot een kwetsbare groep behoort zoals bedoeld in het Tarakhel-arrest van het EHRM.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.15774

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer NL19.15775.
De rechtbank sluit het onderzoek met toestemming van partijen zonder zitting [1] .

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Op 4 september 2018 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Eurodac verordening [2] op illegale wijze heeft overschreden op 26 juni 2018 via Italië. Verweerder heeft Italië daarom verzocht om eiser over te nemen. In het kader van de Dublinverordening [3] is eiser op 18 januari 2019 aan de Italiaanse autoriteiten overgedragen. Op 6 februari 2019 heeft eiser in Nederland een opvolgende asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft deze opvolgende aanvraag in het bestreden besluit opnieuw niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft Italië wederom verzocht om eiser over te nemen. De autoriteiten van Italië hebben dat verzoek op 28 maart 2019 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening.
3. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Hij verzet zich tegen zijn herhaalde overdracht aan Italië. Hij voert aan dat hij na zijn eerdere overdracht aan Italië daar niet in de gelegenheid is gesteld om een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Verder betoogt eiser dat er in Italië sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in het algemeen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Met het claimakkoord van 28 maart 2019 hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen.
5. Als uitgangpunt geldt dat ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan – wat ook blijkt uit bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling [4] van 19 december 2018 [5] en 12 juni 2019 [6] . Het is aan eiser om concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die aanknopingspunten kunnen bieden voor het oordeel dat dit anders is. Omdat eiser niet wijst op bijzondere ontwikkelingen sinds de uitspraken van de Afdeling en het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van
8 mei 2019 - waarnaar eiser in de zienswijze heeft verwezen - geen wezenlijk ander beeld schetst dan de documenten die door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraken zijn beoordeeld, bestaat geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
6. Eiser heeft verder met de enkele stelling dat de CAS-locaties - indien hij daar wordt toegelaten - ondermaats zijn en dat hij vreest op straat te moeten leven, niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan dan wel dat in Italië aan het systeem gerelateerde tekortkomingen bestaan in de opvangvoorzieningen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser bij eventuele problemen in Italië dient te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk is. Uit eisers verklaringen tijdens het aanmeldgehoor blijkt dat hij nog nooit heeft geprobeerd zijn beklag te doen.
7. Er zijn, anders dan eiser stelt, geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij tot een kwetsbare groep behoort als bedoeld in het arrest Tarakhel [7] van 4 november 2014 van het EHRM [8] .
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Verordening (EU) nr. 603/2013
3.Verordening (EU) nr. 604/2013
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
7.Het arrest Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
8.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens