ECLI:NL:RBDHA:2019:9177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet behalen inburgeringsexamen en onvoldoende middelen
Eiser, van Indiase nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij zijn partner in Nederland. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser het basisexamen inburgering niet had behaald, de referent niet voldeed aan de middeleneis en er onvoldoende bewijs was voor een duurzame en exclusieve relatie.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat hij niet gehoord was in bezwaar en dat bijzondere individuele omstandigheden het niet behalen van het inburgeringsexamen rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat eiser deze bijzondere omstandigheden niet met objectief bewijs had onderbouwd en dat verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond had verklaard.
Verder stelde eiser dat het niet horen in bezwaar in strijd was met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel en de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar de rechtbank verwierp dit omdat de richtlijn niet van toepassing was en het verdedigingsbeginsel niet geldt bij aanvragen waarbij de aanvrager zelf gegevens moet aanleveren.
De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.