Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:9877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 september 2019
Publicatiedatum
19 september 2019
Zaaknummer
C/09/576986 / HA ZA 19-750
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 RvVerdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, Londen 31 mei 1932
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekverlening tegen gedaagde wegens juiste betekening dagvaarding in Nieuw-Zeeland

In deze civiele bodemzaak heeft de rechtbank Den Haag op 18 september 2019 een rolbeslissing genomen betreffende de betekening van de dagvaarding aan gedaagde 5, woonachtig in Nieuw-Zeeland.

Eiser stelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend volgens artikel 55 Rv Pro, zonder toepassing van internationale verdragen. De rechtbank oordeelde echter dat het Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië van 31 mei 1932, dat nog steeds van toepassing is op Nieuw-Zeeland, gevolgd moest worden voor de betekening.

De dagvaarding was per aangetekende post aan gedaagde 5 verzonden en volgens Track & Trace op tijd ontvangen. De rechtbank concludeerde dat gedaagde 5 voldoende gelegenheid had gehad om verweer te voeren. Omdat gedaagde niet is verschenen, werd verstek verleend.

De rechtbank hield verdere beslissingen aan en sprak de beslissing uit in het openbaar. Dit vonnis bevestigt het belang van correcte internationale betekening volgens toepasselijke verdragen.

Uitkomst: Verstek wordt verleend tegen gedaagde 5 wegens juiste betekening van de dagvaarding in Nieuw-Zeeland.

Uitspraak

rolbeslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/576986 / HA ZA 19-750
Rolbeslissing van 18 september 2019
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. K.N. Holtrop te Lelystad,
tegen

1.[gedaagde 1] te [plaats 1] ,

gedaagde,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2]te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3]te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen,
4.
[gedaagde 4]te [plaats 3] ,
gedaagde,
niet verschenen,
5.
[gedaagde 5]te [plaats 4] , Nieuw Zeeland
gedaagde,
niet verschenen,
6.
[gedaagde 6]te [plaats 5] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.H.C. Morshuis te Den Haag.

1.Overwegingen

1.1.
Bij rolbeslissing van 24 juli 2019 is eiser in de gelegenheid gesteld documenten over te leggen waaruit volgt dat de dagvaarding overeenkomstig de voorschriften uit het Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken (Londen, 31 mei 1932) (hierna: het Verdrag) ter kennis is gebracht, dan wel gedaagde overeenkomstig de in het Verdrag bepaalde wijze opnieuw op te roepen.
1.2.
Bij brief van 22 augustus 2019 heeft eiser zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat in de verhouding tot Nieuw-Zeeland geen verdragen met betrekking tot de internationale betekening van stukken (meer) gelden en dat betekening dient plaats te vinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 Rv Pro, zoals ook is gebeurd. Dit standpunt is onjuist. Het Verdrag is ondanks het bestaan van nieuwere verdragen met betrekking tot de internationale betekening van stukken (waarbij Nieuw-Zeeland geen partij is) en de onafhankelijkheid van Nieuw-Zeeland nog steeds van toepassing (zie ook www.treaties.mfat.govt.nz). De dagvaarding had dan ook overeenkomstig de voorschriften van het Verdrag aan gedaagde 5 moeten worden medegedeeld. Juist is dat, zoals eiser eveneens in zijn brief betoogt, die mededeling op grond van het bepaalde in artikel 4 sub a onder Pro 4 van het Verdrag ook kan plaatsvinden door toezending per gewone post. Of die wijze van mededeling geldig is en wat de gevolgen daarvan zijn dient overeenkomstig sub b van vernoemd artikel te worden beoordeeld naar het recht van de verdragsluitende partijen.
1.3.
Eiser heeft de dagvaarding per aangetekende post aan gedaagde 5 toegezonden. Niet is gebleken dat het recht van Nieuw Zeeland zich tegen deze wijze van mededeling verzet of daar anderszins gevolgen aan verbindt. Uit de overgelegde Track & Trace informatie kan worden afgeleid dat de dagvaarding op 30 april 2019, dus ruim voor de eerste roldatum, is afgegeven op het in de dagvaarding vermelde adres van gedaagde 5. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde 5 aldus voldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. Nu hij desondanks niet in de procedure is verschenen, zal tegen hem verstek worden verleend.

2.De beslissing

De rechtbank
2.1.
verleent verstek tegen gedaagde 5,
2.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019. [1]

Voetnoten

1.type: 2341