Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[gedaagde 1] te [plaats 1] ,
[gedaagde 2]te [plaats 2] ,
[gedaagde 3]te [plaats 2] ,
[gedaagde 4]te [plaats 3] ,
[gedaagde 5]te [plaats 4] , Nieuw Zeeland
[gedaagde 6]te [plaats 5] ,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
In deze civiele bodemzaak heeft de rechtbank Den Haag op 18 september 2019 een rolbeslissing genomen betreffende de betekening van de dagvaarding aan gedaagde 5, woonachtig in Nieuw-Zeeland.
Eiser stelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend volgens artikel 55 Rv Pro, zonder toepassing van internationale verdragen. De rechtbank oordeelde echter dat het Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië van 31 mei 1932, dat nog steeds van toepassing is op Nieuw-Zeeland, gevolgd moest worden voor de betekening.
De dagvaarding was per aangetekende post aan gedaagde 5 verzonden en volgens Track & Trace op tijd ontvangen. De rechtbank concludeerde dat gedaagde 5 voldoende gelegenheid had gehad om verweer te voeren. Omdat gedaagde niet is verschenen, werd verstek verleend.
De rechtbank hield verdere beslissingen aan en sprak de beslissing uit in het openbaar. Dit vonnis bevestigt het belang van correcte internationale betekening volgens toepasselijke verdragen.
Uitkomst: Verstek wordt verleend tegen gedaagde 5 wegens juiste betekening van de dagvaarding in Nieuw-Zeeland.