Uitspraak
REchtbank DEN Haag
[verzoekster] , te Den Haag, verzoekster
het college van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
23 september 2019.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster is in mei 2018 met haar vijf kinderen vanuit Marokko naar Nederland gekomen en heeft aanvankelijk tijdelijk in een woning verbleven, maar moest deze verlaten. Vervolgens is zij gaan inwonen bij het Centraal Coördinatiepunt (CCP). Op 24 mei 2019 diende zij een aanvraag in voor een voorrangsverklaring woning, die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen omdat zij volgens het college door eigen schuld in haar woonsituatie verkeert.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij stelde dat zij buiten haar schuld in deze situatie is gekomen en dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro omdat haar gezinsleven hierdoor wordt belemmerd. De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster zelf verantwoordelijk is voor haar woonsituatie omdat zij zonder passende huisvesting naar Nederland is gekomen en dat het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder weegt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Er is geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Verzoekster kan zich wenden tot het CCP voor klachten over haar huidige woonruimte. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster door eigen schuld in haar woonsituatie verkeert.